OLD HENGEL
De historie van Hengelo Gld
![]()
TWEEDE WERELDOORLOG
Voor
iemand die slechts acht jaren, waarvan vier in de bezettingstijd, in Hengelo
(G) gewoond heeft, is het een hele eer om een bijdrage aan dit Gedenkboek te
mogen leveren. Het verreweg grootste gedeelte van deze bijdrage heb ik - mij van
geen Gedenkboek bewust zijnde - al in 1993 opgetekend, toen ik een beschrijving
van mijn gehele leven op schrift heb gesteld. Dit deed ik toen voor onze
kinderen en kleinkinderen. Maar voor dit Gedenkboek kan, denk ik, het gedeelte
dat gewijd is aan de tijd dat ik apotheekhoudend huisarts in Hengelo was, wel
gebruikt worden. Vanzelfsprekend laat ik hier bepaalde gedeelten uit mijn
levensbeschrijving weg, zoals die welke een meer persoonlijk karakter dragen en
mededelingen die voor de huidige lezers onbelangrijk zijn. De resterende
gedeelten heb ik getracht tot een geheel samen te voegen met behulp van enige
verbindende teksten. Verder heb ik in de oorspronkelijke tekst enkele kleine
aanvullingen gegeven, b.v. de naam van bepaalde personen en een enkele wat
uitvoeriger
uitwijding.
Alvorens
mij op 1 oktober 1941 in Hengelo te vestigen had ik natuurlijk kennis gemaakt
met de twee reeds gevestigde huisartsen. De oudste was dr. Meinders, hij had
niet veel meer te doen. Hij was in de zeventig en verklaarde dat desondanks
niemand door zijn toedoen "onder de groene zoden zou komen". Hij
voorspelde dat mij geen lang bestaan in Hengelo zou beschoren zijn en weigerde
zijn restpraktijk over te doen. De tweede heette Dolf Dwars, ongeveer 45 jaar
oud. Hij zei een vrije vestiging allang te hebben zien aankomen, niet te zullen
meewerken aan mijn praktijkvorming, maar ook niet te zullen tegenwerken. Hij
heeft zich aan deze uitspraak altijd gehouden.
De
gemeente Hengelo telde toen meen ik ongeveer 3600 inwoners. Er waren twee dorpen
in de gemeente, het dorp Hengelo zelf, dat grotendeels protestant was, en het
dorp Keijenborg, dat vrijwel geheel katholiek was. In die tijd speelde het
behoren tot een kerk een grote rol en in verband daarmee waren er nogal wat
tegenstellingen op sociaal-cultureel en economisch gebied. De beroepsbevolking
werd gevormd door boeren, middenstanders en handwerkslieden, onder wie nogal
wat klompenmakers (familiebedrijfjes van 1 of 2 man).
De
kleine gemengde boerenbedrijfjes lagen verspreid rondom de twee kerkdorpen.
De
gemeente was misschien 10 bij 15 km in doorsnede, gemeten over de weg. De
busdienst Zutphen- Doetinchem liep door Hengelo en Keijenborg. De meeste wegen
waren onverharde karrespoorwegen, met ernaast een onverhard fietspad. De
grondslag was zanderig. Om het boerenbedrijf wat te leren begrijpen las ik het
weekblad "De boerderij". De mentaliteit van de Achterhoekers werd
mij bij kennismaking met de notabelen van het dorp beschreven. Ds. Barbas (nh)
schilderde deze met behulp van hun eigen gezegde "bie grote luu mo-je
zwieg'n of joa - joa zegg'n, m.a.w. onderdanig zijn. Een restant van het in de
Achterhoek lang voortgeduurd hebbende feodalisme denk ik. Notaris Van
Ballegooyen de Jong waarschuwde dat je op straat "niet alleen de kilometer-
maar ook de hectometerpalen moet groeten" m.a.w. ieder is toch ook wel zeer
gesteld op erkenning als medeburger.
De
boerenbedrijfjes waren bijna nooit groter dan een paar hectare, een enkele was
misschien 20 tot 30 hectare groot.
Er
bestond bij de boeren een zeer intensieve bedrijfsbinding wat hun naam betreft.
Men was b.v. niet Gerrit Enzerink, maar "Gerrit van Albert van 't
Stapelbroek". M.a.w. men werd benoemd met de voornaam van de vader en die
naar de hoeve waarop hij woont of woonde. Dus niet naar zijn achternaam, zelfs
niet als de zoon geen boer meer was maar b.v. ambachtsman. Behalve die binding
aan de "bedrijfsnaam" was er een enorme familieband. De gezinnen
bestonden meestal uit drie generaties en daarvan had de oudste het voor het
zeggen. Ook inzake de bedrijfsvoering, ook al deden ze die niet meer zelf. Opa
deed het lichtere werk, opoe deed de huishouding en verzorgde de kinderen,
vader en moeder werkten op het land, verzorgden het vee e.d.. Iedere boer had
behalve zijn land ook een paar koetjes en dat betekende tweemaal daags melken,
dus nooit vrij zijn. Landbouwmachines waren er haast nog niet, bijna alles
geschiedde met menselijke- en paardekracht. In de oogsttijd waren de mannen zó
moe dat het als vanzelfsprekend werd geacht dat ze zondagsmorgens tijdens de
preek in slaap vielen.
Behalve
akkers en weiden waren er ook veel bosjes en een enkel vennetje. De percelen
waren meestal van elkaar gescheiden door boomwallen en akkermaalshout of van
hoogstammen. Dit gaf het bekende beeld van het coulissenlandschap, nergens kon
je verder kijken dan 100 of 200 meter. Behalve op de "enken", dat zijn
grotere stukken bouwland vlak bij een dorp of gehucht, oorspronkelijk voor
gezamenlijk gebruik. Naast de twee genoemde dorpskernen waren er nog een paar
buurtschappen met een schooltje en soms een winkel en/of cafeetje.
Lang
niet iedere boerderij had elektriciteit. Telefoonaansluiting had vrijwel
geen enkele boer, van de burgers hadden alleen de zakenlieden, enkele ambtenaren
en de notabelen een aansluiting. Gesprekken moest je aanvragen bij de
telefoniste op het postkantoor, waarna je met het opgegeven nummer verbonden
werd. De hele leefsfeer in onze gemeente was in 1941 nog typisch vóóroorlogs-plattelands.
Rust, eenvoud, ontbreken van modern comfort, een enkele radio (maar geen tv),
driemaal per week het streekblad "De Graafschapbode", sterke sociale
controle, conventioneel in het geloven, achterdochtig t.o.v. alles wat vreemd
of nieuw was. enz. enz.
Wat
mij sterk trof als ik door het land fietste of wandelde was de stilte over de
velden en in de bossen en 's nachts was er de overweldigende sterrenhemel. Er
was verduistering, alles op aarde was donker.
Toen
wij in Hengelo gingen wonen hadden we van hetgeen hierboven beschreven werd
weinig of geen weet. In feite waren we stadsmensen met een hang naar het
platteland. We huurden een vrijstaande middenstandswoning, Raadhuisstraat 40,
tegenover een molen op een molenberg. Op nr 38 was een van de dorpsaannemers,
Herman Lubbers, gevestigd en op nr 42 de bakker Gijs van Neck. We raakten snel
bevriend met de buren. Herman Lubbers echtgenote was een bijzondere vrouw, in
het hele dorp bekend al Tante Jans. Zij was zeer wijs en behulpzaam. Buren had
je nodig, je hoorde tot een noaberschap met allerlei rechten en plichten, al was
een dokter wel grotendeels van de plichten vrijgesteld. Bij Gijs van Neck ging
ik iedere avond, toen alle radiotoestellen gevorderd waren door de bezetter,
stiekem luisteren naar nieuwsberichten van Radio Oranje uit Londen. Dat hield de
moed er in en dat was wel nodig ook. Gijs had een toestel verborgen in een
afgescheiden gedeelte van de ruimte waarin zijn meelvoorraad bewaard werd.
Minder riskant was het clandestien melk halen bij Bernard Onstenk, een
dorpstimmerman
met één koetje en een glazen oog. Al in het begin van onze Hengelose tijd
merkte Bernard op dat zijn vrouw zo bleek was, waarop zijn vrouw Dina prompt zei
"Verdraogt de bieslaop niet". Later bleek dat dit een Achterhoeks
standaardgrapje over pasgehuwden was.
In
de gemeente lagen twee kastelen met een gracht er omheen en twee buitens.
Kasteel Het Kervel was voor de oorlog eigendom van de weduwe van de Duitse baron
von Twickel. De familie had een Duits echtpaar in dienst als koetsier en
huishoudster. Toen de barones voor de oorlog stierf, hadden de koetsier en de
huishoudster genoeg geld om voor zichzelf een huis in het dorp te bouwen. In
1941 was de man reeds gestorven en zijn vrouw, de weduwe Petering, bij haar
getrouwde dochter in de buurt van Amersfoort in getrokken. Van deze weduwe
huurden wij de woning door bemiddeling van haar Nederlandse schoonzoon.
Het
huis had geen waterleiding, die was er niet in het dorp. Maar in de keuken was
een vleugelpomp waarmee we iedere avond met ongeveer 800 slagen met handkracht
water oppompten naar een groot geïsoleerd reservoir. Van daaruit water naar de
wastafels in badkamer, spreekkamer, apotheek en naar tappunten in keuken en
toilet. Er was riolering, geen gas. Verwarming van de woonkamer werd geleverd
door een kolenhaard, van de keuken door een fornuis, van de spreekkamer door een
potkacheltje. In de wachtkamer was geen verwarming, dat was heel gewoon op het
platteland. Op de bovenverdieping was nergens verwarming behalve soms een
elektrisch kacheltje.
Toen
er geen kolen meer waren stookten we met hout, dat we van boeren kochten. Deze
kapten hun bomen clandestien en brachten ze gezaagd in blokken of als grote
stukken stam in het donker bij ons
en andere burgers in het dorp achter het huis. Zo o.a. Gradus Menkveld
(Stapelbroek), hij was niet bang van aard. Nooit heeft iemand ons zwarte
oorlogswinstprijzen berekend, voor wat dan ook.
Aanvankelijk
deed ik de praktijk op de fiets, na korte tijd kreeg ik van mijn schoonouders
een zoveelste-handsmotorfietsje, een tweetakt-DKW type RT, cilinderinhoud 98
cc. Dit gebruikte ik naast de fiets, benzine was op de bon en werd steeds
schaarser. Toen er de laatste oorlogswinter geen benzine meer was en de vijand
alles vorderde wat los en vast was, heb ik de motorfiets verstopt in een
bakhuisje bij de boerderij van Kelholt (Regelink).
Na
de bevrijding deed hij weer goed dienst. Fietsbanden op de bon waren de
laatste jaren van kunstrubber, zonder bon waren er z.g. harde banden, gemaakt
van repen autobuitenband. Elektrische stroom was er na "dolle
dinsdag" in september 1944 niet meer. Van toen af bestond de verlichting
uit petroleumlampjes, kaarsjes, oliepitjes en een "knijpkat".
Die oliepotjes maakte je zelf: een jampot vol water, daarop een laagje
raapolie (clandestien gekocht t.b.v. het bakken) en daarop een drijvertje met
een pitje.
Ons
voedsel werd wel steeds eenzijdiger. Roggebrood, soms tarwebrood, roggemeelse
pap. Aardappelen, groenten en fruit uit eigen tuin of van de boer, eieren van
eigen of buurmans kippen. En het vlees was van eigen slacht, een varken clandestien
gekocht en geslacht, door mijn vrouw geweckt. De groenten ook geweckt. Melk als
taptemelk op de bon en als volle melk clandestien van Onstenk of van de boer. Ik
nam steeds lege flessen mee in de fietstassen als ik visites ging rijden.
Dolle
dinsdag was een keerpunt. Van toen af aan geen stroom, praktisch geen
leveranties van goederen, bijna geen bus- of telefoonverbinding. Een paar maal
per week kwam er nog een streekblad ter grootte van een A4-tje met voornamelijk
nazi-propaganda en gecensureerd oorlogsnieuws. Wat er wel veel kwam waren
evacués
uit de Betuwe en uit Noord-Limburg, het inwonertal verdubbelde. De mensen
kwamen te voet of per wagen, zij waren met geweld verdreven of vrijwillig
vertrokken. Ze kwamen aan in een vaak desolate toestand, zwak, ziek, uitgeput,
zonder bezittingen, behalve wat ze konden dragen of per kar en per fiets konden
meenemen. Zij werden bij burgers en boeren ingekwartierd in huizen, schuren en
kippenhokken, waarin wind en vrieskoude makkelijk binnendrongen. Men leed al
spoedig aan huidziekten zoals schurft en steenpuisten en aan luchtweginfecties
en ingewandsstoornissen. Er waren veel ouden van dagen bij; velen stierven aan
kwalen en van ellende. In het kasteel Het Kervel werd een noodziekenhuis
ingericht, waar ik de ernstigste zieken probeerde te helpen (collega Dwars kwam
er niet).
De
laatste twee oorlogsjaren nam het aantal bombardementsvluchten van Engeland
naar Duitsland steeds meer toe. Bijna iedere nacht kwamen hele eskaders zware
vliegtuigen in meerdere golven van west naar oost over ons heen. Je hoorde ze
al van ver aan komen brommen, het luchtalarm loeide beangstigend. Dan gingen wij
het bed uit, met de kinderen in de arm wachtten we angstig af in de kelder. De
Duitsers hadden nog veel luchtafweer in de vorm van zoeklichten,
jachtvliegtuigen en afweergeschut, alles in en boven de Achterhoek (en
elders). Halverwege Steenderen stonden eigenaardige ronde, draaibare schermen,
waar wij niets van begrepen. Na de oorlog bleken het radarschermen te zijn. De
afweer van de Duitsers leidde boven de Achterhoek en Twente (hoe het elders was
wisten wij toen niet) tot luchtgevechten met die trage bommenwerpers. Als deze
niet meer konden ontsnappen lieten ze hun bommenlast in één keer vallen om
alsnog wendbaarder te worden. Hierdoor vielen vele bommen in onze streken,
meestal op het land, maar soms troffen ze een boerderij of huis. Ook in Hengelo
gebeurde dat een paar maal, verschrikkelijk om te zien als je hulp moest
verlenen. Een enkele keer maakte een bommenwerper een noodlanding op het veld.
De ondergrondse trachtte dan de bemanning, voorzover nog in leven, te laten
verdwijnen vóór de vijand erbij was. En dat was helaas vaak maar al te
Af
en toe hielp ik in de bezettingstijd mee om onderduikers van dienst te zijn,
zowel medisch als niet-medisch. Lid van een georganiseerde verzetsbeweging,
die b.v. overvallen pleegde of z.g.n. sabotage acties ondernam, was ik niet.
Toch was ik lid van een bepaalde vorm van georganiseerd verzet, n.l. van het
Medisch Contact (MC). Dat was echter niet primair een verzetsorganisatie, het
was een organisatie van artsen die zich op grond van medische ethiek en een
bepaalde visie op de beroepsuitoefening (plus natuurlijk ook een stuk
Deutschfeindlichkeit) verzette tegen bepaalde maatregelen van de bezetter in
het belang van de uitoefening van de geneeskunst. Dit MC-lidmaatschap bracht
mee, dat ik in de zomer van 1943 moest onderduiken. De bezetter had bepaald dat
alle artsen lid moesten worden van de door hem opgerichte en gedirigeerde
Artsenkamer met N.S.B.-ers aan het hoofd. Dat wilden wij niet, de enige
ontsnappingsmogelijkheid was dat alle MC-leden officieel tegenover de bezetter
afstand deden van hun bevoegdheid als arts. Duizenden MC-leden, waaronder ook
ik, deden dit op één en dezelfde dag en plakten op hun naambord het woord
"arts" over. De vijand was toen bang dat er in het hele land ziekten,
vooral epidemieën zouden uitbreken en begon onmiddellijk m.b.v. de politie
een landelijke razzia onder alle (ex-)artsen. Ze vingen er maar weinigen, want
vrijwel iedereen was tijdig gewaarschuwd door de plaatselijke politiemensen, die
anti-nazi waren. Ik werd gewaarschuwd door opperwachtmeester Van
Suntenmaartensdijk.
Zo kon ook ik onderduiken. Na een nacht bij burgemeester Van Hoogstraten op Het
Hof ging ik 's morgens in alle vroegte, gekleed in overall en pet, vermomd als
boer die dag melken, langs binnenweggetjes per fiets naar Wesepe (Ov). Daar
bracht zwager Herman mij naar boer Bolle, bij wie ik buitengewoon liefderijk
ontvangen werd op zijn afgelegen boerderij. Ik leerde er enigszins melken en
maaien en natuurlijk ook het boerenleven mee te leven. Na een week kwam mijn
vrouw per fiets, een maand of zes zwanger, mij een dagje bezoeken. Na tien of
veertien dagen was alles voorbij, de nazi's hadden bepaald dat iedere arts, die
verklaarde zijn werk weer gewoon te zullen
Mijn
vrouw en ik hoorden tot een groepje vrienden, dat regelmatig huissamenkomsten
hield, waar we om beurten een inleiding over een of ander onderwerp hielden. We
noemden het "ons cultuurkamertje"' naar analogie van de
nazi-cultuurkamer, waarvan alle beroepsbeoefenaren van kunst en cultuur lid
moesten zijn. Behalve wij behoorden voor zover ik het nog weet tot deze kring
het echtpaar De Vries, To van der Horst (zie onder), het echtpaar Geelhoed
(onderwijzer chr.school dorp), Jan van Hoogstraten (zoon van de burgemeester),
Tjalling van Heemstra, Daaf Wemes (kand.notaris) en Wim Sprey (huisleraar op Het
Regelink en ondergedoken student).
I.v.m.
de toenemende voedselschaarste in de randstad stuurden wij sinds 1943 of 1944
iedere week een paar roggebroden van een kilo, eieren, levensmiddelbonnen e.d.
naar kennissen. Dat waren Dr. Oudendal en To van der Horst. Bij Oudendal had ik
in 1937 in Uithoorn gewerkt, in de oorlog had hij een praktijk in Utrecht. To
van der Horst was onderwijzeres, aanvankelijk in Hengelo (Bekveld) en sinds
1943 of 1944 in Amsterdam. Mijn vrouw sloot bij elk pak een brief bij, met veel
bijzonderheden over ons gezin en ons dorp. Die brieven hebben wij later bijna
alle van To teruggekregen.
Nu
ik deze bijdrage in 1994 schrijf, kan ik aan deze brieven het volgende ontlenen.
In februari 1945 vorderden de Duitsers, naast vele andere woningen, alle huizen
aan de Kastanjelaan (behalve het huis van dokter Dwars). Verder het huis van de
notaris, dat van de familie Geurts (hoofd r.k. school) en dat van de familie
Schipper die op De Spannevogel woonden. Laatstgenoemden, betrokken bij het
verzet, trokken in bij de familie Dorgelo (hoofd chr. school). Toen de bezetter
daar een inval deed, vond hij talrijke illegale ditributiebescheiden,
stamkaarten
en persoonsbewijzen. De heer Dorgelo, de familie Schipper en het (hele?)
distributiepersoneel werden gearresteerd en in Zutphen vastgezet.
Huiszoekingen bij het personeel van de distributiedienst leverden o.a. op, dat
er bij de familie Van Heemstra op Het Regelink (de dochter werkte op het
distributiekantoor) enkele accu's waren (t.b.v. elektrische verlichting). Dat
was verdacht voor clandestien radio luisteren. Men nam de freule en haar
toevallig op die dag aanwezige broer Fijo (Leeuwarden) ook mee naar Zutphen. De
heer Dorgelo en een dochter Schipper kwamen na vijf dagen vrij, de anderen korte
tijd later. Mevrouw Van Heemstra bracht iedere dag per fiets levensmiddelen naar
haar kinderen in Zutphen. Zij werd na drie dagen eveneens opgesloten, maar kwam
enkele dagen later weer vrij. Op 5 maart 1945 werden 230 "gravers"
(schuttersputjes e.d.) vastgenomen en per paard-en-wagen naar Zutphen
afgevoerd. Vandaar naar Zeddam om even over de grens te gaan graven.
Hoe
ging het nu met het medische werk in de apotheekhoudende huisartsenpraktijk?
Eerst wat algemene en daarna wat inhoudelijke aspecten. De eerste patiënt was
een man die op een avond, al in de eerste week van mijn vestiging, aan de deur
kwam met niets anders dan de mededeling "ik krieg de vrouw ok in
bedde". Na uitleg begreep ik dat zijn vrouw zwanger was en dat hij vroeg of
ik t.z.t. de bevalling wilde doen. In die tijd bestond er geen speciale
kraamverzorging, de dokter deed alles zelf: het kind wassen, wegen en aankleden
en daarna de moeder wassen, het bed verschonen, sluitlaken omdoen, schoon
nachtgoed aantrekken. Veel werk, maar het gaf een goede band met moeder en kind.
Verder natuurlijk iedere dag kraamvisite. Het honorarium voor dit alles,
inbegrepen een aantal zwangerschapscontroles, bedroeg ƒ 15,00.
Het
ziekenfondshonorarium bedroeg, inclusief de levering van gewone medicijnen
(speciale zoals insuline werden op aanvraag extra vergoed), 10 cent per persoon
per week, d.i. ƒ
5,20 per jaar. Voor particuliere patiënten berekende ik ƒ 1,00 à
ƒ 1,50
voor een consult en ƒ
1,50 à ƒ
2,50 voor een visite. De rijkeren, dat waren er slechts enkelen, moesten het
hogere tarief betalen onder het motto "zij verlangen meer tijd en
aandacht". Maar in feite was het meer vanwege het quasi-ethische beginsel
van "ik scheer mijn schapen naar gelang ze wol hebben". Kiezen en
tanden werden getrokken voor ƒ
1,00 zonder en ƒ
1,50 met verdoving. Menigeen zei "die twee kwartjes verschil kan ik
zittende verdienen, dus doe maar zonder".
Wat
de apotheek leverde was voor particulieren ook tegen een vaste standaardprijs,
ik weet niet meer hoe hoog die was, alleen dat een drankje van 300 cc ƒ 1,00
kostte. Specialite's waren er nog zeer weinige, het ging meestal om drankjes,
poeders en zalfjes. Wat de groothandel aan poeders, zalfjes e.d. kon leveren
maakte ik niet zelf. Op het einde van de oorlog kon de groothandel niets meer
leveren ook geen grondstoffen. Gelukkig had ik een redelijke voorraad kunnen
aanleggen, waarmee de bevrijding gehaald werd.
Een
onvoorstelbare toestand trof ik aan, toen ik plm. 1943 in de zomer voor het
eerst geroepen werd bij de gezusters Bruil, bij ingewijden bekend als "de
Bruilsvroulu". Ze waren bejaard en woonden zeer afgelegen en haast
onvindbaar (ergens in de Noordink of op Linde?) op een totaal verwaarloosde
hofstede. In jaren waren ze niet van hun terrein af geweest, een Duitser hadden
ze nog nooit gezien. Ook het gemeentehuis of distributiekantoor was hen
vreemd. Bezoek stonden ze alleen toe aan de dominee, de dokter en ik meen de
postbode en/of de bakker. Het weinige dat ze vanuit het dorp nodig hadden, werd
hen gebracht door een vertrouweling (kruidenier Johan Berendsen, bakker,
postbode?, ik weet het niet meer). Deze persoon vertelde hen het laatste
nieuwtjes, zodoende waren ze haarfijn op de hoogte van alle nieuwtjes uit de
gemeente. Een krant lazen ze niet, radio hadden ze niet en distributiekaarten
hebben ze nooit gehad, evenmin als een persoonsbewijs. Hun vader was (een van)
de rijkste boer(en) uit de hele gemeente, vertelde men. Geen jongeman was
destijds rijk genoeg om met zijn dochters te trouwen. Nadat de ongetrouwde
broer, die bij hen woonde, gestorven en begraven was, werd zijn ledikant met
beddegoed en al buiten naast het huis gezet, ten prooi aan weersinvloeden en de
tand des tijds. De ruïne ervan stond er nog in mijn tijd. Jaren tevoren waren
de ouders gestorven en sindsdien was de haag die om de boerderij stond
opgeschoten tot een dichte rij van hoge beuken. Ook het land was totaal
verwilderd, vergrast en verheid, nooit meer wat aan gedaan. Er was nog één
mager koetje, het stond al jaren droog. Ook binnenshuis was alles verwaarloosd,
vervallen en vervuild, het dak was kapot en lek. Hoe het stond met de
lichaamshygiëne laat zich makkelijk raden. Hun grijze haren werden gezwart
met schoensmeer. Zittende op stoelen, waarvan de poten waren ingekort, brachten
de dames de nacht door.
Ik
heb wel eens een boom voor de kachel bij hen gekocht, van houtprijzen waren ze
(althans de oudste, die altijd het woord deed en de daad erbij voegde) goed op
de hoogte. Het (papier)geld werd bewaard onder kranten op de keukentafel, bij
wijze van portemonnaie, alles vies en vet. De oudste van de twee liep enigszins
hinkend, met een stok, die tevens diende als de staf waarmee zij hun bezit en
haar zuster regeerde. Ik zou dit alles niet kunnen geloven, als ik het niet
allemaal zelf had meegemaakt.
Veel
ernstige zieke evacués kwamen in het noodhospitaal in Het Kervel, zoals ik al
eerder vertelde. Je kon er niet veel meer doen dan in een gewoon huis, maar de
mensen lagen tenminste niet meer in een schuur of kippenhok. Het was er warm
en er waren enige meegeëvacueerde verpleegkundigen bij. Na de bevrijding
vertrokken de evacués weer, het noodziekenhuis werd ingericht als
opvangscentrum voor zieke gerepatrieerde mannen, die door de bezetter naar
Duitsland weggevoerd waren geweest. Zij en ook de niet-zieken zaten vaak onder
de luizen, daarom werd elke repatriant principieel bespoten, bij het summiere
medische onderzoek dat zij ondergingen, met DDT. Daarvan was toen de
schadelijke bijwerking nog niet bekend. Na hen werd het noodziekenhuis gehuurd
door de Joodse Coördinatie Commissie (JCC) t.b.v. haar gerepatrieerde of boven
water gekomen zieken. We hadden toen al wat meer behandelingsmogelijkheden.
Het Kervel was eigendom van de heer Ben de Graaf. Hij had tijdens de oorlog
onder de vloer grote ruimten uitgegraven en daar vele Joden in verstopt. Dat
bracht o.a. mee, dat ik de hond van de heer de Graaf uit veiligheidsoverwegingen
moest afmaken. Als er zieken waren moest ik in de gewelven afdalen via een gat
in de vloer onder de haard in een van de zalen. De haard werd dan even naar
voren geschoven en daarna weer op zijn plaats gebracht. Overigens zijn deze
Joden bijna allen op zekere nacht gearresteerd toen ze even buiten gelucht
werden. Hier was verraad in het spel, geen van hen is teruggekomen (of toch
één?).
Bejaarden
hadden vaak hart-long-kwalen, die niet afdoende geholpen konden worden. Ze
hadden ook vaak rachitische skeletafwijkingen. Dodelijke oorlogsslachtoffers
waren er slechts enkelen, n.l. t.g.v. bominslagen. Een groter aantal
slachtoffers
is na de bevrijding gevallen en wel door een andersoortig militair geweld, n.l.
door verkeersongelukken van burgers met geallieerde legervoertuigen. Ook
verongelukte Hendrik Kelholt, de boer die ons vaak melk leverde en bij wie mijn
motortje verstopt was tijdens de oorlog. Eén man (geen Hengeloër) kwam er
vlak voor de bevrijding goed af toen hij op de fiets vanuit de lucht met een
mitrailleur beschoten werd. Alles wat bewoog werd toen namelijk beschoten. Ik
schuilde in huizen of onder bomen als er een vliegtuig aankwam. Bij deze man
ging een dikke kogel dwars door zijn nek zonder iets belangrijks te raken! Hij
kwam lopende bij mij, een gaasje links en een gaasje rechts leek voldoende.
Onze
beste vrienden in Hengelo waren Wijb en Lenie de Vries, mensen van onze
leeftijd. Ze werden patiënt bij mij. Hij was gemeente-ontvanger en zeer
belangrijk in de ondergrondse, maar dat werd mij pas volledig duidelijk na de
bevrijding. In de vijftiger jaren werd Wijb burgemeester van Oosterhesselen
(Dr). Dat was hij een jaar, toen hij met zijn auto dodelijk verongelukte. Over
een van Wijb's belangrijkere verzetshandelingen en de consequenties daarvan
vernam ik kortgeleden van Lenie het volgende. Na "dolle dinsdag" (5
september 1944) liet Wijb het hele bevolkingsregister van de gemeente
verdwijnen. Daarom moest toen meteen het hele secretarie-personeel onderduiken.
Het gezin De Vries (man, vrouw en een kind) vond onderdak bij de familie Groot
Roessink op 't Vaalverink in de Noordink. Na enige tijd kwamen daar de eerst
elders ondergedoken gemeentesecretaris, de heer Arends, en zijn echtgenote
bij. Het was onvermijdelijk dat geleidelijk aan bekend werd dat deze
onderduikers
daar zaten. Het werd dus gevaarlijk, zowel voor de ondergedokenen als voor het
gastgezin. In december vond het echtpaar Arends een nieuw adres elders (in de
gemeente Steenderen?). Het gezin De Vries "verhuisde" toen naar
Gradus en Mina Menkveld op 't Stapelbroek. Volgens Lenie de Vries zou ik daarbij
geholpen en bemiddeld hebben, maar daarvan herinner ik me niets meer. Wel weet
ik nog, dat ik al tevoren Wijb's broer Johan (eveneens secretarie-ambtenaar),
die ondergedoken was in Halle, op Wijb's verzoek per fiets heb overgebracht naar
dezelfde familie Menkveld.
Op
1 april 1945 werd Hengelo door de Canadezen bevrijd. Toen kon de wederopbouw
beginnen, een prachttijd. De oorlog was over, je was weer vrij. Iedere week of
maand verbeterde er wel iets op materieel gebied, de democratie begon weer te
functioneren, de evacuées keerden huiswaarts, enz. enz. Aanvankelijk was het
vanzelfsprekend nog behelpen. Zo maakten wij in de zomer van 1945 een moeizame
reis naar Den Haag om vrienden te bezoeken, namelijk Tepie Klem en haar man Jan
(de) Groot. Eerst per bus naar Zutphen, dan Lopend naar De Hoven, een dorp aan
de overkant van de IJssel (de spoorbrug was opgeblazen), daarna per stoomtrein
in kapotte wagons naar Utrecht. Daar moesten we lopen tot buiten de stad, tot
waar nu ongeveer het verkeersknooppunt Oudenrijn ligt.
Op
de snelweg met grote groepen mensen wachten op een "lift". er waren
nog nauwelijks personenauto's. We mochten tegen vergoeding mee, staande in een
lege vrachtwagen, tot Den Haag. De hele reis duurde een uur of acht. De volgende
dag terug, hoe dàt ging weet ik niet meer. Wat de democratie betreft, er kwam
de z.g. doorbraakbeweging, die de grenzen van de voor-oorlogse politieke
partijen wilde doorbreken. Zij werd georganiseerd in de Nederlandse
Volksbeweging (NVB), en sterk gepropageerd in "Je Maintiendrai".
Dit oorspronkelijke illegale blad, dat wij in de oorlog lazen, is na de
bevrijding opgenomen in Vrij Nederland.
In
1947 konden wij het door ons bewoonde huis met grond kopen. Wij bouwden er een
praktijkhuis met garage bij. De praktijk zelf, die in 1941 met niets begonnen
was, nam regelmatig in omvang toe. Daarnaast werd ik gemeenteschoolarts en
tenslotte ook bedrijfsarts van een pas opgerichte bedrijfsgeneeskundige
dienst in Doetinchem. Het leek erop dat we aardig gesetteld waren in Hengelo. We
wilden er ook blijven, maar het liep anders. In het seizoen 1947-1948 volgde ik
een paar maanden lang eenmaal per week in Arnhem 's avonds een artsencursus.
Daar spraken allerlei coryfeeën om ons bij te scholen in alles wat er tijdens
de oorlog in het vrije Westen aan medische ontwikkelingen had plaatsgevonden.
Een van hen was collega Bingen, hoofd van de reumatologische afdeling van de St.
Maartenskliniek in Nijmegen. Nu had ik in mijn praktijk meerdere families waarin
reumatoïde artritis veel voorkwam. Ik had die mensen zo goed en zo kwaad als ik
kon behandeld met goudkuren per injectie. (In de oorlog werd het goud vervangen
door koper, dat was een metaal dat ook hielp zei men). Maar nu vertelde die
collega Bingen dat je nog veel méér moest en kon doen. Ik was zo enthousiast,
dat ik besloot reumatoloog te worden.
Per
1 oktober 1949 deed ik mijn praktijk over aan Ru Beems en ging in opleiding in
de St. Maartenskliniek te Nijmegen.
Onze
Hengelose tijd achteraf overziende kan ik zeggen, dat het een goede tijd is
geweest. Om in tijden van bezetting en wederopbouw temidden van een vriendelijke
bevolking met veel hartelijke behulpzame mensen een jong gezin en een eigen
werkkring te mogen vormen, was een groot voorrecht en het was hartverwarmend. En
dat was dan daarenboven ook nog een mooie streek, zonder ernstige materiële
tekorten en zonder al te grote gevaren.
B.J.
ter Bals
![]()