OLD HENGEL
De historie van Hengelo Gld
![]()
TWEEDE WERELDOORLOG
De
moord op minister Posthuma
De
moord op Pim Fortuyn was volgens zeggen de eerste politieke moord sinds 1672, de
jaren van Johan de Witt en Willem van Oranje. Toch was er al eerder een
politicus die om zijn mening werd vermoord. Dat was tijdens de Tweede
Wereldoorlog en nog wel in de Achterhoek op de grens van Vorden, Ruurlo en
Hengelo. Het betrof Folkert E. Posthuma, minister van Landbouw tijdens de Eerste
Wereldoorlog in het kabinet Cort van der Linden. Later werd hij NSB-aanhanger,
reden voor een communistische groepering hem te liquideren.
Folkert
Evert Posthuma werd op 20 mei 1874 in Leeuwarden geboren en had gestudeerd aan
de Landbouwhogeschool in Wageningen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog sprak heel
Nederland over de minister van Landbouw, Handel en Nijverheid, F.E. Posthuma.
Hij had de ondankbare taak om bij de toenemende schaarste voor een billijke
distributie te zorgen. Ieder kreeg zijn broodkaart, zijn boter- en vetkaart en
zijn bonboekje. Alleen bij inlevering van bonnen kon men een vastgestelde
hoeveelheid brood, boter en andere schaarse artikelen kopen. Zo wilde de
minister verhinderen dat de rijken alles zouden opkopen en er voor de armen
niets meer overbleef. Om zo lang mogelijk met de voorraden rond te komen,
bepaalde Posthuma in april 1916 dat er geen bruin tarwebrood en wittebrood meer
gebakken mochten worden. Alleen wie een medisch attest kon overleggen, mocht nog
wittebrood eten. Het was opvallend hoeveel mensen plotseling met maagklachten
bij de huisarts kwamen.
Posthuma
kreeg de schuld van allerlei problemen rond de voedselvoorziening. Er was
kritiek op diverse onzinnige maatregelen en hij kreeg ook de schuld van allerlei
tegenvallers. Nu was hij ziek en verbleef voor herstel in Hotel Avenarius in
Ruurlo, waar hij al elke zomer vertoefde.
In
1918 maakte het ministerie-Cort van der Linden plaats voor het kabinet van Ruys
de Beerenbrouck, waardoor Posthuma minister-af was. Naast een woning in het
westen had hij ook een gedeelte van de villa De Viersprong aan de Schuttestraat
als vakantiewoning in bezit. In het andere deel woonde de pachter Bannink.
Vlakbij woonde boer Smeenk. De woning lag op de grens van Hengelo, Vorden en
Ruurlo. De woning behoorde in de oorlog tot Vorden, later was het grondgebied
van Ruurlo.
Posthuma
vervulde in de loop der jaren een groot aantal functies in tal van organisaties
op landbouwkundig gebied. Later raakte hij verbitterd. Hij zocht zijn heil bij
Mussert, maar werd geen lid van de NSB. Eind mei 1940 bood hij zijn diensten aan
bij Mussert, die ervoor zorgde dat de oud-minister ook onder de aandacht van
Seyss-Inquart kwam. In maart 1941 resulteerde dit in zijn benoeming tot
voorzitter van de Commissie voor de Productieslag, die al snel de Commissie
Posthuma werd genoemd. Daarin namen de voorzitters van de voornaamste
landbouworganisaties zitting. Samen moesten ze zorgen voor een zo groot
mogelijke productie en een goede samenwerking tussen de boerenorganisaties.
De
positie van de commissie verzwakte na een half jaar onverwacht door de
machtsuitbreiding van het Agrarisch Front. Deze organisatie had nauwere relaties
met de Duitsers en dit resulteerde in oktober 1941 in de oprichting van de
Landstand. Dat werd de enige toegestane organisatie op agrarisch terrein.
Posthuma
kwam zo opnieuw buitenspel te staan. Later werd hij benoemd tot gemachtigde van
de Leider voor Landbouw en Visserij. Het NSB-kabinet moest een formeel
rechtvaardig tintje geven aan de Duitse bezetting. In de praktijk liep dit
kabinet volledig aan de leiband van de Duitsers.
Zijn
belangrijkste verdienste als gemachtigde was dat hij de belangen van de
verzekeringsorganisatie ‘Brandwaarborg Onderlingen’ met succes verdedigde
tegenover Musserts concurrent Rost van Tonningen. Deze wilde ‘Onderlingen’
centraliseren en de fondsen in handen spelen van een Duitse
verzekeringsmaatschappij. Posthuma stuurde alle belanghebbenden een brief waarin
hij tegen dit gevaar waarschuwde. Enkele dagen na deze brief werd hij vermoord.
Verantwoordelijk
voor de moord was CS-6, een communistische verzetsgroep. Behalve de kleinere
groepen waren het vooral de Raad van Verzet (RVV) en de Landelijke Knokploegen
die zich het uitvoeren van georganiseerde zware sabotage ten doel stelden. Deze
twee vormden het guerilla-element in het georganiseerde verzet. De Raad van
Verzet werd kort na de April-Meistakingen van 1943 opgericht. Jan Thijssen was
de belangrijkste figuur. Najaar 1943 sloot zich ook Gerrit Jan van der Veen zich
bij de RVV aan, waardoor er een relatie ontstond tussen de RVV en de
persoonsbewijzencentrale (PBC). Een van de bekendste leden was Hannie Schaft,
"het meisje met het rode haar". In totaal telde de RVV zo'n 1000
leden.
Reina
Prinsen Geerligs was lid van verzetsgroep CS-6, genoemd naar haar eerste adres:
Corellistraat 6 in Amsterdam. Het was een jonge groep mensen, meest studenten,
ontstaan in de loop van 1942. De groep kreeg contact met het Militair Contact en
de communistische arts dr. Gerrit Kastein, die al voor de oorlog communisten had
geholpen uit Duitsland te ontkomen. CS-6 pleegde onder meer aanslagen op depots
van inbeslaggenomen radio's, spoorlijnen waarop joden werden gedeporteerd, de
Hollandse Schouwburg in Amsterdam, waar gearresteerde joden moesten wachten op
hun deportatie naar Westerbork en het NSB-studentenhuis in Amsterdam.
CS-6
heeft ook grote activiteit ontplooid bij het liquideren van Nederlandse nazi's
(of aanhangers) wier daden direct gevaar opleverden voor het verzet of bepaalde
groepen Nederlanders. In de periode februari – augustus 1943 pleegde de groep
zeven aanslagen.
De
belangrijkste was generaal H.A. Seyffardt, neergeschoten op 5 februari 1943 door
Jan Verleun. Seyffardt, van 1929 tot 1934 chef van de generale staf van het
Nederlandse leger, was commandant van het Nederlandse Vrijwilligerslegioen, dat
troepen aan Hitler leverde voor het Oostfront. Op 1 februari had Mussert een
soort schaduwkabinet samengesteld. Daarin had Seyffardt ook zitting, en velen
waren bevreesd dat hij in een toekomstige regering-Mussert de algemene
dienstplicht voor de Duitse oorlogsvoering zou invoeren. Seyffardt stierf 6
februari en kreeg een pompeuze begrafenis. De Duitsers lieten als represaille
600 studenten oppakken.
De
reeds genoemde Kastein schoot op 9 februari de secretaris-generaal van het
departement van volksvoorlichting, mr. H. Reydon met zijn vrouw neer. Reydon
overleed enkele maanden later. Kastein werd gegrepen, maar pleegde zelfmoord.
Het
was deze CS-6 groep die verantwoordelijk was voor de moord
op Posthuma. Hij had al vaak het advies gekregen om een lijfwacht in te
huren, maar daar wilde hij niets van weten. Op de avond van donderdag 3 juni
1943 zat hij met zijn vrouw in de serre. Rond 20.00 uur kwam Jan Verleun op de
fiets bij de Schuttestraat aan, waar hij zijn vervoermiddel tegen een
telefoonpaal plaatste. Hij voerde deze eenmansactie uit in opdracht van Hans
Katan, een van de leiders van CS-6. Bij de telefoonpaal knipte hij de draad
door, zodat er vanuit de villa niet meer gebeld kon worden. Vervolgens zocht hij
een weg door de rododendrons naar de villa. De nietsvermoedende Posthuma heeft
de verzetsman zien staan, maar toen was het al te laat. Verleun schoot met een
revolver op de borstkas van Posthuma die vervolgens opstond om naar de telefoon
te lopen. Hierop volgde een tweede schot dat hem in de rug raakte. Hij overleed
kort na de aanslag. Verleun vluchtte na de aanslag op zijn fiets richting
Ruurlo. Hij gooide de revolver weg ter hoogte van de boerderijen van de families
Kleine en Zieverink.
Waarom
CS-6 Posthuma op de lijst had gezet, is nooit helemaal duidelijk geworden. De
voormalige minister was niet zo’n belangrijk figuur. Het illegale blad Het
Parool dacht daar anders over: Deze
aartsschurk, die zijn gezworen trouw aan de Koningin voor een dik salaris aan de
dijk zette, heeft zijn loon te pakken. Mogen anderen zijn lot spoedig delen!
Na
de aanslag werd er gedurende twee dagen honderd man politiepersoneel ingezet
voor surveillance en huiszoeking in boerderijen in een gebied met een straal van
10 km rond De Viersprong. Dit onderzoek leverde niets op. Onderduikers bij
nabijgelegen boerderijen wisten tijdig te ontkomen. Mussert stuurde nog zijn
lijfwacht naar Vorden om de dader op te sporen, maar ook deze slaagde daar niet
in.
De
Duitsers hebben niet al te veel werk van de moord gemaakt. Ook niet toen men er
niet in slaagde om de dader te pakken te krijgen. Er zijn geen represailles
gevolgd en geen mensen gegijzeld uit wraak om deze aanslag, zoals wel vaker
gebeurde. Posthuma was geen Duitser en voor hen niet bijzonder interessant.
Alleen
in NSB-kring werd getreurd om de dood van 'kameraad' Posthuma. Mussert stuurde
als blijk van medeleven een krans, maar daar was mevrouw Posthuma niet erg mee
vereerd. Hij werd ter aarde besteld op de Algemene Begraafplaats in Ruurlo.
Tijdens de begrafenis liet zij de kist ook niet dragen door NSB-ers, maar door
buurtgenoten.
Mevrouw
Posthuma vertrok kort na de begrafenis naar de eerste woning in Den Haag, op De
Viersprong werden SS-ers ingekwartierd.
De
meeste leden van de CS-6 groep waren al in de loop van 1943 opgepakt en op 30
september 1943 gefusilleerd. De 24-jarige Johannes Adrianus Joseph Verleun werd
op 4 november 1944 gearresteerd en op 6 januari 1945 ter dood veroordeeld. Het
vonnis werd de volgende ochtend voltrokken.
Bronnen:
Geschiedenis van het verzet 1940-1945/ J.Buitkamp / 1990
Daar
midden in de Graafschap / W.J.M. Hermans / 2001
De
harmonica bleef vijf jaar stil / J. Oonk – B. Leuverink / 1995
Vorden
tijdens de bezetting / R. Ellenkamp / 1997
![]()