OLD HENGEL
De historie van Hengelo Gld
20e EEUW
Een wandeling door de omgeving van het landhuis ’t Zelle tussen Hengelo en Ruurlo heeft vrijwel alles in zich wat de het Achterhoekse landschap zo karakteristiek maakt. Natuurlijk de directe omgeving van het huis, voor een belangrijk deel bepaald door het eeuwenoude landgoed. De bossen, de waterpartijen rond het huis en de karakteristieke (pacht-) boerderijtjes omgebouwd tot vakantiewoningen. Iets verder van het huis krijgt het coulissenlandschap vorm. Langs de Zelledijk bv., waar agrarische gronden worden afgewisseld met stroken bos of begroeiing in de vorm van singels en houtwallen.
Historie
Al in 1326 werd ’t Goet te Selle genoemd met als bezitter Pelgrim van Zelle (Zelle en Selle werden door elkaar gebruikt). Mogelijk stamt het huis dus uit eerdere eeuwen. De volgende aantekening is uit 1403, toen Grietken van Selle beleend werd met Selle en de Hederick. Laatstgenoemd goed behoorde in 1378 aan Evert van Zelle en in 1387 werd het in leen gegeven aan Gerrit van Zelle. Over de familieverhouding van beide heren zijn wij niet geïnformeerd; mogelijk waren zij broers en Gerrit zou de vader van Grietken geweest kunnen zijn. Hoe dan ook, het goed bleef in de familie, maar dat zou niet lang meer duren. Grietken huwde met Steven van Kervenheim en hun financiële positie moet vrij zwak zijn geweest, want in 1427 droeg zij “dat erve ende goet te Zelle” op aan Agnese Bentinck, echtgenote van Dirck van Baer, echter met het beding dat zij of haar erven dit mochten inlossen met 576 Rijnlandse guldens binnen tien jaar, oftewel terug kunnen kopen binnen tien jaar.
Kennelijk zijn zij daarin geslaagd, want in 1439 werd Grietken weer met ’t Zelle beleend. Haar zoon Gerrit legde voor haar de leeneed af, dus waarschijnlijk was haar echtgenoot al overleden.
In 1447 werd Steven van Kervenheim beleend; hij zal een broer van Gerrit geweest zijn. (?) Hij belastte het goed met 35 molder rogge, te lossen in 8 jaar bij verlies van het leen, dus financieel was het er niet veel beter op geworden en in 1467 verpandde hij min of meer aan broer Gerrit “dat halve erve ende goet te Zelle, Groot ende Cleyn”, om deze helft tenslotte in 1473 helemaal aan hem over te dragen. Twee dagen daarvoor heeft hij de andere helft overgedragen aan Derick Mennynck, zodat er vanaf dat moment twee Zelle’s bestonden (Groot en Cleijn Zelle), die ieder een eigen leven gingen leiden, totdat zij zo’n twee eeuwen later weer verenigd zullen worden. Op zich heel bijzonder; in veel andere situaties was zo’n opdeling het begin van een steeds verdere verkleining en uiteindelijke verdwijning.
Cleyn Zelle
Klein Zelle vererft van Gerrit van Kervenheim op zijn zoon Henrick, die er in 1491 mee beleend wordt en die laat het op zijn beurt na aan zijn dochter Jutta, gehuwd met Christoffel van Munster.
Maar ook onder de Van Munster’s was de situatie niet rooskleurig. Jutta’s zoon Johan vernieuwde de leeneed voor haar in 1563 en haar zoon Vijth kreeg in 1580 tweemaal uitstel, maar werd het jaar daarop met Klein Zelle beleend.
Vijth vermaakte het goed in 1596 aan de kinderen uit zijn tweede huwelijk, met de bepaling dat die uit zijn eerste huwelijk het tegen betaling van 1500 gulden mochten inlossen. Opnieuw geldproblemen! Vijth herriep dit alles weer na de dood van zijn zoon Bernt (uit eerste huwelijk) en “tuchtigde” zijn vrouw Agnes Meyers met Klein Zelle, hetgeen inhield dat hij een rente uit het goed gaf als een soort oudedagsvoorziening. Vervolgens liet hij het goed na aan hun zoon Christoffel, die er in 1634 mee beleend werd.
Na diens overlijden werd zijn moeder (Agnes Meyers) weer eigenaar, maar die stierf ook al snel daarna. Christoffel’s broer Sondach was de volgende bezitter. Die werd er op 10 oktober 1636 mee beleend, maar droeg deze op dezelfde dag weer over aan zijn zus Catharina. Vermoedelijk weer geldzorgen.
’t Zelle bleef zich kenmerken door een bijzonder ingewikkelde erfopvolging. Sondach herriep de beschikking van 1636 later weer, tuchtigde zijn vrouw Christina van Hardenberch en bepaalde verder dat na hun dood zus Catharina het goed kreeg, hetgeen in 1643 geschiedde.
In 1649 werden met Klein Zelle Emerantiana en Agnis Margaretha van Hardenberch beleend en een jaar later gebeurde dat voor Anna van Munster, de oudste zus van Sondach en wel voor 1/6 deel.
Nog steeds was de financiële situatie niet florissant, want Emerantiana liet haar echtgenoot Hendrich de Wolff haar gedeelte belasten met 1500 gulden ten behoeve van Jan Engelbert van Westerholt.
Toen had de familie genoeg van de problemen rond Klein Zelle, want in 1671 droegen de predikant Hermannes R.C. de Wolff, gehuwd met Agnes M. van Hardenberch 5/6 deel van het goed op aan dr. Engelbert Tilman Grothe. Hij nam het jaar daarop het resterende 1/6 deel over van Johanna Meyers, dochter van Anna van Munster.
Groot Zelle
Intussen was het andere deel van ’t Zelle, Groot Zelle, ook een aantal malen in andere handen overgegaan. Derich Mennynck liet het na aan zijn zoon Goossen, doch wegens diens verblijf in het buitenland werd zijn broer Reiner in 1484 met het goed beleend. Goossen liet het na aan zijn zoon Derck in 1512, die waarschijnlijk ongehuwd of kinderloos stierf, want hij liet het in 1542 na aan Evert Meyerinck, mogelijk aangetrouwde familie. Aangezien Evert’s oudste zoon Bernt afstand deed van zijn rechten, verviel Groot Zelle aan diens jongere broer Evert, die er in 1548 mee beleend werd.
Evert’s zoon werd in 1573 de eigenaar, maar nadat hij in 1580 stierf, liet weduwe Marritgen ten Kolcke haar minderjarige kinderen Evert en Johan met het goed belenen. Zij vertoefden beiden in het buitenland als militair en daarom werd in 1599 voor hen de leeneed door een gevolmachtigde afgelegd.
In 1617 droegen Johan Meyerinck en zijn echtgenote Susanna Volters Groot Zelle op aan Gerritjen van der Heyden, weduwe van Jorden Kanis. Na haar overlijden kwam het goed in 1625 aan Gijsbert van der Heyden en zijn mede-erfgenamen als erven van hun zuster Gerritjen, maar in hetzelfde jaar werd ook dochter Mechteld van Everwijn beleend als erfgenaam. Haar aandeel liet zij vererven op haar oom Everhard van der Heyden in 1625 (?)
Van Everhard gaat het goed in 1652 over op zijn zoon Arnoldt, maar diens moeder Catryna Cribbers liet twee jaar later een verdeling opmaken. Op grond daarvan werd Johan van der Heyden beleend en hij droeg Groot Zelle over aan dr. Engelbert Tilman Grothe, die er in 1669 mee werd beleend.
Grothe kocht twee jaar later ook Klein Zelle, zodat het goed weer in één hand was. Onder de meer gefortuneerde Grothe’s ging ’t Zelle een betere toekomst tegemoet. Engelbert was de echtgenoot van Jacoba Cremers en in 1647 werd hij burgemeester van Zutphen. Hij was ook gerichtschrijver van het Scholtambt Zutphen. Uit het huwelijk werd zoon Jacob geboren, die in 1699 met het goed werd beleend. Jacob trouwde in 1702 met Margaretha Pit en zij kregen 17 (!) kinderen.
Zoon Engelbert Tilman erfde ’t Zelle en in 1752 werd hij ermee beleend. Hij stierf ongehuwd in 1772 en werd opgevolgd door zijn broer Johan. Dr. Johan Grothe was gehuwd met zijn nicht Bregitta Margaretha van Dam. Hij kon er maar kort van genieten, want hij overleed in 1775, ’t Zelle nalatende aan zoon Jacob E.T.
Op het huis staat een windvaan met het jaartal 1792 en dat zou kunnen wijzen op een herbouw in dat jaar. In deze tijd moet ook de bijzonder fraai zevensprong en laat-18e eeuws lanenstelsel zijn aangelegd in de stijl van de beroemde Franse tuinarchitect Lenotre.
Jacob overleed in 1811 ongehuwd, broer Laurens Carel stier in 1815, eveneens ongehuwd. Pas in 1829 werd de nalatenschap geregeld, want toen werd eigenaar Arnold Engelen, zoon van de zuster van beide broers, Willemina E. Grothe, gehuwd met Willem E. Engelen.
In 1830 is het huis aan de voorzijde voorzien van een tweede bouwlaag.
Na hem vererfde het op Alexander J. Grothe, oomzegger van dr. Johan Grothe en zoon van diens broer Laurens. Alexander had uit zijn huwelijk met Louise E. Roosmale 8 kinderen en die hebben na de dood van hun vader in 1838 ’t Zelle verkocht aan Reiner Engelbert baron van Dorth tot Medler.
Reiner bestemde het landgoed voor zijn zoon Clemens A.I.A.G., echtgenoot van Louise J.F.A. barones van der Heyden. Toen deze in 1875 kinderloos overleed, ging ’t Zelle naar zijn oudste broer: Zeno Th.J.H., echtgenoot van Elisabeth M.C.W. barones van Hackfort tot Ter Horst.
Zeno stierf in 1886 en ’t Zelle kwam aan dochter Anna L.C.M., gehuwd met jhr. Willem F.H.J. Bosch van Drakestein. De jonkheer legde in 1921 het loodje, zij in 1923 en zoon Eugène E.L. erfde ’t Zelle. Hij overleed ongehuwd in 1942 en hij liet ’t Zelle na aan Clemens G.A.J. baron van Dorth tot Medler, gehuwd met Theodora A.J. Regout. Hiermee was ’t Zelle weer in handen van de familie van zijn moeder.
Clemens mocht er maar even van genieten. In de oorlog had hij er al weinig plezier van. Eerst namen de Duitsers en daarna de Canadezen bezit van het monumentale pand. Zij sprongen er niet zo omzichtig mee om.
In 1947 verliet Clemens dit aardse tranendal. Hij liet ’t Medler na aan zoon Reinder E., terwijl ’t Zelle naar diens jongere broer Zeno L.A. ging, die in dat haar huwde met Maria E. barones de Weichs de Wenne. Hij zinde al snel op mogelijkheden op een andere wijze rendabel te maken, toen bossen, weiden en akkers niet meer genoeg opleverden.
Een nieuwe bron van inkomsten vond hij door het verhuren van boerderijen en zomerhuisjes. Reeds in 1957 werd de eerste boerderij voor dit doel verbouwd. Geleidelijk werd dit uitgebreid en heeft zoon Gijsbert dit overgenomen. Deze liet in de jaren ’90 ook een golfbaan aanleggen.
Bron: Graafschapbode 1968