OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

 

 


 

20e EEUW

 

 

De legendarische Quick-schoen

   

Precies honderd jaar geleden begon de oorsprong van de legendarische Quick-schoen. In 1905 begon Herman Jansen in Hengelo met zijn schoenenzaak die zou uitgroeien tot de bekende Quick-fabriek. Een klein eenmansbedrijf groeide uit tot een fabriek, die zich op de binnenlandse en buitenlandse markt een belangrijke plaats verwierf, vooral tussen 1930 en 1980. De fabriek was voor Hengelo van groot belang. Vele Hengeloërs vonden in deze onderneming hun werkkring, tot in 1992 definitief de deuren werden gesloten. Sinds enige jaren is de Quick-schoen weer volop leverbaar, al heeft het nog maar weinig binding met Hengelo.

 

Het begin 

Herman Jansen (1873-1955) verhuisde met zijn familie in drie met paarden bespannen huifwagens van Voorst naar Hengelo. Hij werd ingeschreven als schoenmaker. Het was een tijd, waarin geld zeer schaars was en het kleine Hengelo genoeg schoenlappers telde om de versleten schoenen van de dorpsbewoners te herstellen. In de winter droegen deze vooral klompen. Menig Hengeloër moet in die dagen het hoofd geschud hebben over het winkeltje dat Jansen aan de Spalstraat begon, waarin hij een voorraad had van zes paar schoenen en 150 lege schoendozen, die werden gebruikt als etalagemateriaal.

Hij ondervond veel steun van de firma Wijs uit Dieren, waarvoor hij in Voorst gediend had. Deze firma verschafte hem veel reparatiewerk en opdrachten tot het fabriceren van pantoffels en schoenen in de slappe wintertijd. 's Zondags ging Jansen op zijn fiets met houten velgen naar Dieren om de schoenen voor reparatie op te halen en de gerepareerde schoenen terug te brengen. Ook waren er twee pottenbakkers uit Dieren, die, op dagen dat er in Hengelo paardenmarkt werd gehouden, schoenen voor herstel meebrachten van de firma Wijs. Deze moest Jansen dan om 4 uur 's middags, het sluitingsuur van de markt, klaar hebben. Dezelfde pottenbakkers namen ze daarna weer mee.

 

Herman Jansen

 

 

Al snel maakte Jansen zijn eerste voetbalschoenen. In opdracht van fa. Wijs fabriceerde hij drie paar voor een pas opgerichte voetbalclub in Arnhem. Hiermee werd het begin gemaakt met een produktie, die later een enorme vlucht zou nemen. Als werkplaats had Herman sr. de zolderverdieping van het huis  tegenover de Engrosslachterij van D.J. Jansen, later D. Kamperman (anno 2005: Wim Luimes) ingericht. Al zijn materieel bestond uit één oude stikmachine. De arbeid werd grotendeels met de hand verricht. Wanneer er te weinig werk voor handen was, ging Jansen naar collega's in omliggende gemeenten om extra orders in de wacht te slepen.

Dankzij vakkennis, handelsgeest en werklust kwam het bedrijfje over de moeilijke beginperiode heen. Al na een half jaar had Jansen twee man personeel. Hij begon zich toe te leggen op maatwerk. De opdrachten werden gestaag meer en soms waren er 40 tot 50 paar schoenen besteld voor Pasen. Dan staken de mensen zich immers 'in het nieuw'.

In 1907 bleek de zolder te klein en kocht de schoenlapper een pand aan de Kerkstraat, waar later Horstink een winkel had in ijzerwaren. Hier bleef hij ca. 2½ jaar en in die tijd schafte hij de eerste machines aan: een schuur- en uitpoetsmachine en een machine die houten pennetjes in de schoenzool dreef. Dit waren met de voet bediende trapmachines, waar de zoons van Jansen na schooltijd aanstonden. Er werd gewerkt van 's morgens 7 uur tot 's avonds 9 uur. De knechts verdienden 9 tot 11 gulden per week en de klanten betaalden ƒ1,75 voor het vernieuwen van hakken en zolen. Behalve de zoons werkten ook moeder Jansen en dochter Anna mee in de zaak.

'Pietbaas' wilde weer uitbreiden. Een moeilijkheid daarbij was, dat hij niet kapitaalkrachtig was. Het was gebruikelijk dat alle reparaties, leveranties van maatwerk en de verkoop van winkelschoenen gebeurden op jaarrekening. De zaak bloeide en groeide echter zo goed, dat hij voldoende krediet kreeg om in 1910 een nieuw pand te laten bouwen aan de Raadhuisstraat, waar later zijn kleinzoon Herman een schoenwinkel dreef (later Tacx en Hermans).

 

 

De Eerste Wereldoorlog bracht een terugslag. De fabricage werd stopgezet, alleen reparatie bleef over. Het leder was schaars en alleen via distributie te verkrijgen. De zoons namen alle mogelijke bijbaantjes aan om het hoofd boven water te houden. Van telegrambesteller tot eikelraper.

Na de oorlog ging het weer beter. De eerste motor werd in bedrijf genomen: een oude dieselmotor voor het aandrijven van de machines, overgenomen van Wijs, die al op electromotoren was overgestapt. De dieselmotor draaide tot 's avonds 10,11 uur door, maar veroorzaakte door de knalpot die bovenop het dak geplaatst was, veel overlast. Dat gaf zoveel herrie, dat de buren er niet van konden slapen en naar het gemeentebestuur stapten. Dit bepaalde dat de motor alleen mocht draaien tussen 8 uur 's morgens en 9 uur 's avonds.

Een typisch voorbeeld van de handelsgeest van Herman Jansen was het feit dat hij ontdekte, dat tijdens en vlak na de oorlog de machines in Duitsland zeer goedkoop waren. In deze periode ging hij dan ook vaak op en neer naar de Messe in Wezel om machines in te kopen voor ƒ175,- per stuk.

 

De naam wordt Quick

In 1922 kreeg Hengelo electriciteit en daarmee brak een nieuw tijdperk aan. Jansen kreeg electromotoren die een grote schuur- en uitpoetsmachine aandreven. Alle zonen waren inmiddels in vaders zaak werkzaam. Naast de winkel en reparatie-afdeling werden kinderschoenen gefabriceerd, alsmede pantoffels en meisjesschoenen. Dertig man was er aan het werk.

In 1925 werd een begin gemaakt met het produceren van sportschoenen. De naam Quick werd gelanceerd op de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam. Rond 1930 adverteerde Jansen met 'The H.J. Shoe'.

De economische crisis van de dertiger jaren gooide roet in het eten. In het donkerste crisisjaar gaf de bedrijfsbalans zelfs een nadelig saldo van ƒ3000,- aan! Liquidatie werd in ernstige overweging genomen, maar vooral op aandrang van moeder Jansen ("Wat moet er dan van de jongens worden?") werd het nog een jaartje aangezien. Tevens werd besloten te reorganiseren. Om te beginnen door een geheel nieuw object ter hand te nemen: de Captain - voetbalschoen. Een gouden greep. Zelfs Ajax en het Nederlands elftal speelden met deze schoenen. Polly Pil werd geïntroduceerd als mascotte van Quick.

De fabricage van pantoffels, kinder- en meisjesschoenen ging gewoon door en daarmee gingen de zoons op reis. Tevens werd contact opgenomen met de fa. Oosterholt-Wiegerinck in Groenlo, die het zoolleder aan Quick in consignatie gaf en waarmee een handel in leer en fournituren werd begonnen. De fa. Blomesath uit Aalten bood een agentuur aan voor herenpantoffels en vetlederen schoenen.

Een ander belangrijk aspect van de reorganisatie was het aanstellen in oktober 1932 van Pierre Raaymakers (1901-1967) uit Dongen tot bedrijfsleider. Eén van de zoons had hem leren kennen bij een vakopleiding. Raaymakers zou een zeer groot aandeel hebben in de ontwikkeling van de vermaarde Quick-sportschoenen!

 

De tijden werden beter en de fabricage van de Quick-voetbalschoen werd hoofdzaak. Een duurdere kostte ƒ4,95, een goedkoop paar ƒ1,75. De kwaliteit verbeterde en het afzetgebied werd uitgebreid. Na een uitbouwing kon de produktie opgevoerd worden tot 400 paar per week.

De oudste zonen verdwenen uit het bedrijf. De oudste Herman Jansen werd compagnon van de fa. Blomesath en Anton Jansen vestigde zich als schoenwinkelier en reparateur te Vorden. De tweede zoon, Theo, begon naast zijn werk als vertegenwoordiger in Nijmegen een schoenenzaak met reparatieafdeling.

 

Creatief in de oorlog

In de Tweede Wereldoorlog verboden de Duitsers de fabricage van leren schoenen, maar de Jansens waren niet voor een gat te vangen. De zonen, waarvan vooral Theo en Gert steeds meer het werk van Pa overnamen, trokken naar Amsterdam om op het Waterlooplein afgedankte vilthoeden op te kopen. Bij alle rijwielzaken werden oude fietsbanden versierd. Van deze materialen werden pantoffels gemaakt; de fabriek kon weer draaien, waarbij veel geïmproviseerd moest worden. Reparaties vonden plaats met oude, opgekochte drijfriemen en met van de ondergrondse clandestien gekochte en gelooide huiden.

Het aanwezige leder moest bij de Duitsers ingeleverd worden, maar een gefingeerde inbraak redde de voorraad. Daartoe maakte men op een avond ’s avonds rond de fabriek wat gerucht, zodat de buurman de politie waarschuwde dat er de fa. Jansen inbrekers waren. Bij controle bleek alles rustig, maar de volgende morgen bleek de hele voorraad ‘gestolen’: veilig opgeslagen in huize Jansen. Hier­door kon direct na het instorten van het Derde Rijk de productie weer volledig ter hand worden genomen.

 

 

Het maken van voetbalschoenen, die nog op de bon waren, kwam snel weer op gang. Theo Jansen kon door vroegere connecties vergunning verkrijgen voor het verkopen van klompen in zijn winkel in Nijmegen. Hij reisde daarvoor alle klompenmakers in Gelderland af en had op een dag wel 500 mensen in de rij voor zijn winkel staan. Door deze verkoop van klompen, de productie van pantoffels en reparatie van oude voetbalschoenen kon de fabriek weer van start. Vooral die reparaties werden zo’n succes dat het een geweldige reclame werd. Weer was het een van de Jansens, die weer op het Waterlooplein een grote partij beenkappen opkocht, waarvan men kinderschoentjes begon te fabriceren. Wat later kwam ook de fabricage van nieuwe voetbalschoenen weer op gang.

'Losse' noppen waren een noviteit, die een stormloop op de Quick-schoenen teweeg bracht. Evert Lubbers, de smid, had een machientje gemaakt voor deze noppen. Om de noppen werd een aluminium ring gelegd, die slijtage moest voorkomen en doordrukken voorkomen. Een nieuwtje, dat Quick een eigen karakter gaf en een goede naam bezorgde. Er werd besloten alleen met de fabricage van voetbalschoenen verder te gaan. In Nijmegen kwam een Quick verkoopcentrale. De produktie ging met sprongen omhoog.

 

Opening pand Raadhuisstraat 1948

 

 

 

Aan de vraag kon nauwelijks meer voldaan worden, uitbreiding was weer nodig. In 1948 werd een fabriekspand van R.J. Lubbers aan de Raadhuisstraat gehuurd. Dit was het moment voor Herman sr. om op 75-jarige leeftijd zich minder op de voorgrond te plaatsen. De vier zonen Gert, Anton, Theo en Herman namen het over, met Raaymakers als bedrijfsleider en vanaf 1952 met H.A. Ritzer als procuratiehouder. De productie kon worden verhoogd naar 1600 paar per week. De omvang van de produktie en de verkoopcijfers werden zo groot, dat de schoenwinkel in Nijmegen opgeheven kon worden. Vanaf dit tijdstip produceerde Quick vooral voetbalschoenen en later ook sportschoenen.

Quick werd een florerend bedrijf met meer dan honderd, meest Hengelose, werknemers. Alle toppers gingen op Quick voetballen, het werd een begrip in Nederland.

Bart Kroesen, die al op 13-jarige leeftijd bij Quick binnenstapte, wist het nog goed: "In 1934 stopte het Nederlands elftal de Belgische Rode Duivels met 9-3 onder de grasmat. Wat een wedstrijd was dat, een mooiere reclame konden we ons niet wensen, alle elf speelden ze op onze Captains. Dat was de eerste schoen, die taps toelopende noppen had. Later gingen sterren als Faas Wilkes en Abe Lenstra alleen met Quick het veld op. Voor Kees Rijvers, die in Frankrijk voetbalde, moesten we ze precies op maat maken, omdat hij een beetje vreemde voeten had. Ook Coen Moulijn, de legendarische linksbuiten van Feyenoord, liet zich regelmatig nieuw 'gereedschap' aanmeten."

 

 

De voetbalclub Pax had goede connecties met Quick, met name toen de fabriek in 1957 op een steenworpafstand kwam. Vanaf dat jaar leverde Quick voetbalschoenen voor het eerste elftal. Dikwijls werd als voorwaarde gesteld, dat het trainingsbezoek aan een minimumaantal moest voldoen. Later kwam daar de complete uitrusting en een jaarlijkse bijdrage van ƒ1500,- bij. Pax en de leden hadden veel voordeel hadden van de fabriek in de nabijheid.

 

 

Theo en Herman Jansen sr.

 

Toenmalige voorzitter Jaap Hulshoff: "We hadden een goede relatie met de gebroeders Jansen. Het waren 'verdraaide bliksems', maar ze hielpen de leden wel met het oplap­pen van schoenen. Later toen ze eenmaal aan de Hummeloseweg zaten, verschaften ze de schoenen aan het eerste elftal en waren sponsor van de club."

De Quick organiseerde zelf ook voetbalactiviteiten. In augustus van het jubileumjaar 1958 was er op het sportterrein van Pax aan de Kastanjelaan een interland tussen de jeugd van Nederland en België. De organisatie lag bij de Quick en daardoor was de entree gratis. Alleen een vrijwillige bijdrage werd gevraagd voor de 'Stichting Kind', waar de fabriek veel voor deed.

Op 25 juli 1959 werd het 'Polly-Pil sporttournooi' georganiseerd. Als extra attractie werd een wedstrijd tussen de kampioenen van de 2e divisie Oost (Go Ahead) en West ('t Gooi) georganiseerd. De baten kwamen ten goede aan voornoemde stichting.

 

Verhuizing en uitbreiding

In 1957 was de fabriek weer uit zijn jasje gegroeid. Een geheel nieuw gebouw werd op 26 augustus  geopend aan de Hummeloseweg. In de jaren '60 vonden nog wat uitbreidingen plaats tot 1200 m² in totaal. Legendarische  voetballers als Johan Cruyff, Piet Keizer en heel Oranje speelden op Quick. Zo’n beetje alle voetballers in Nederland werden er groot op. Robuust en niet kapot te krijgen, vakmanschap van Achterhoekse bodem.

 

 

 

 

In 1963 vond er nog een uitbreiding plaats in de vorm van een grote hal en in 1970 (hal en kantine) en 1976 meer uitbreidingen. In 1963 werd in Kaatsheuvel een nieuwe fabriek geopend, die zich specialiseerde in damesschoenen. Een vulcaniseermachine gaf Quick een voorsprong op de concurrentie: deze machine vulcaniseerde in 6 minuten één paar schoenen – in het buitenland was dit 12 minuten.

Tijdens de hoogtijdagen in de jaren zestig en zeventig was 75 procent van de vaderlandse schoenmarkt in Hengelose handen, mede door de reclame-activiteiten van de heren topvoet­ballers. In de jaren '70 maakten de 100 medewerkers van de enige sportschoenenfabriek van de Benelux 350.000 schoe­nen per jaar.

De overgebleven gebroeders Jansen gingen met pensioen, Gert in 1970, Anton in 1972. Voor het eerst zat er geen Jansen meer in de directie, die nu éénhoofdig was in de persoon van Ritzer. Vooral Gert werd node gemist. Hij stond bekend als een directeur die zijn personeel hielp en als het nodig was zelf de handen uit de mouwen te steken.

 

Bergafwaarts

In 1967 overleed Pierre Raaymakers, de patroonmaker, een niet te vervangen verlies. Zonder de Jansens  ging het eind jaren zeventig bergafwaarts met Quick. Het niet inspelen op de veranderende smaak was de hoofdoorzaak. De directie bleef vasthouden aan het kwaliteitsprincipe, vormgeving telde minder. Ook de fabricage van de (in de slappe wintertijd) succesvolle schaatsschoen werd stopgezet.

Lotto, Adidas, Puma en Nike brachten modieuze kleuren en schoenen met soepel leer op de markt, Quick bleef volharden in het produceren van een stugge, zwarte schoen. Gevolg van dit falende management was, dat door de steeds groter wordende concurrentie van Italianen, Japanners en Ameri­kanen de markt overnamen. In 1982, het jaar dat M. Smeets de taken van Ritzer overnam, was de productie gedaald naar de helft tot 1972.

 

De teloorgang leidde in 1986 toch nog tot een onverwacht faillissement. Een unieke actie volgde: het bedrijf werd bezet en vijftien medewerkers hervatten de produktie. De actie haalde de landelijke pers, maar het mocht niet baten. Ontslag voor tientallen werknemers. Medewerkers verklaarden dat dit nooit was gebeurd, als er een opvolger van Jansen in de directie had kunnen blijven.

De nieuwe directeur P. de Lange zette na enige maanden een nieuwe Quick BV op in afgeslankte vorm. De werkzaamheden werden voor een groot deel naar Portugal verplaatst, maar ondanks een langlopend contract met het Nederlands leger voor de leverantie van 100.000 sportschoenen bleef Quick Sports in de gevarenzone. Toen bleek dat de order zou worden uitgevoerd door de fabriek in Portugal (vlak voor het bankroet door Quick stopgezet) ging de order niet door. De direc­tie moest eind 1991 weer elf werknemers ontslaan. Opnieuw leek er weer even hoop, na een contract met de Duitse fabrikant van sportartikelen Uhl, maar ook dat mocht niet baten.

In maart 1992 viel definitief het doek voor de Quick. Een Hengelose tak van industrie was historie geworden. Een tak waar vele Hengelose gezinnen hun brood mee verdiend hadden en er ook veel gezelligheid gekend hadden. In 1993 werd het pand gekocht door het bedrijf Rijnstaal BV uit Arnhem, dat pandraad produceerde voor de staalindustrie. Een aantal jaren daarna nam Minteq het over.

 

Een nieuwe start

In 1999 raakte de HEAO-student Ferenc van der Vlies in de lappenmand met een afgescheurde kruisband. Bij die ‘gelegenheid’ schreef hij zijn afstudeerscriptie over Quick. De Zuid-Hollandse man uit Strijen had altijd al een voorliefde voor voetbalschoenen en Quick in het bijzonder. Hij zocht de geschiedenis uit met in het achterhoofd het plan om Quick opnieuw op de markt te brengen. Weer ter been ging Van der Vlies op onderzoek naar Hengelo. Hij kwam in contact met nazaten van de familie Jansen die de rechten van het merk verkochten aan Van der Vlies.

Inmiddels is Quick weer springlevend. Met compagnon Rinie van Trigt heeft Van der Vlies met eigen middelen de schoen weer op de markt gebracht. De schoenen worden geproduceerd in Italië en Vietnam, terwijl het product vanuit Strijen aan de man wordt gebracht. In het straatbeeld is de schoen weer terug. De zgn. sneakers – de sportschoen van 30 jaar geleden – zijn een rage onder de hedendaagse jeugd, waarvan ook Quick zijn graantje meepikt. Ondanks de grote concurrentie is ook de Quick-voetbalschoen weer op de vaderlandse voetbalvelden te vinden. In 2004 nog was een documentaire op tv over de rentree van Quick, met ook opnamen vanuit Hengelo.

 

                                                                        © W.J.M. Hermans 2006

 

 De Captain                                                                                                       


Deze historie is ook gepubliceerd, met foto's, in Alle hoeken van het veld.

Zie ook www.fcquick.com

 

 


Home