OLD HENGEL
De historie van Hengelo Gld
20e EEUW
Geb. 11-8-1913, 16-2-1943 getrouwd met Riek van Burk.
Opgetekend door Willy Hermans
Op de hoek van de Spalstraat en de Raadhuisstraat heeft exact 100 jaar lang een kruidenierswinkel annex drogisterij bestaan. In 1876 begon Jan Scholten met de verkoop van zijn waren. In 1976 sloot kleinzoon Johan Berendsen (geb. 1913) de deuren weer. Berendsen vertelt over een zaak die een eeuw lang in het centrum van Hengelo gelegen was en de drie generaties die achter de toonbank stonden.
Zijn grootvader, Jan Scholten, was er in 1876 mee gestart. Voordien was hij knecht bij Poesse aan de Banninkstraat (toen Schoenmakerstraat) geweest. Poesse was in de 2e helft van de 19e eeuw een naam van aanzien. Naast een klokkenzaak, een spekslagerij en kruidenierswinkel had de familie sinds 1865 een margarinefabriek, waarvan de naam in 1879 werd veranderd in Poesse-Wansink & Co. De fabriek draaide op stoomkracht.
Na een brand in 1880 verhuisde het bedrijf naar Spalstraat 16. In 1886 nam D.J. Jansen de slachterij, zouterij en winkel over. Een groot gedeelte van de Poesse-familie verhuisde naar Vorden; dat lag gunstiger door de pas aangelegde spoorlijn. Daar begonnen ze een worstfabriek, de voorloper van Welling en Coveco.
Dochters van het gezin trouwden met Wansink, Klem, Kremer, Langeler en Bannink, bekende Hengelose namen.
Scholten begon zijn zaak in het gedeelte waar later de drogisterij en nu het afhaalcentrum van het Chinees restaurant was. Hij nam dit over van Prins, die naar Zelhem vertrok. Ook Kreunen, een broer van Ute, was daarvoor op deze plek gevestigd met een café en bakkerij. Daarnaast, op de hoek, was Jansen (vader van Otto) met een manufacturenzaak. Later nam Scholten dit gedeelte over. De scheiding bleef altijd in een "old en ni'j huus".
Scholten, bijgenaamd "Poesse-Jan" of "Jan op 't Stoepke", ging meest op pad om zijn waren aan de man te brengen. Dat was in die tijd de meest gebruikelijke gang van zaken. De eerste jaren ging hij met een volgepakte kruiwagen langs de deur!
Ook de mensen die in de verre buurtschappen woonden hadden hun levensmiddelen nodig. Ze waren soms niet anders te bereiken dan kilometers over slechte modderwegen.
Al snel kwam er paard en wagen, zodat de klantenkring snel uitgebreid werd. Hij ging veel over de zandwegen de boer op, tot in Steenderen en Hummelo. Zijn vrouw (geboren Kostedde) stond doorgaans in de winkel.
Een man als Scholten was overal welkom. De bewoners stonden hem vaak al op te wachten, ze konden de kar van verre zien aankomen. Hij bracht zijn verhalen mee, zodat men op de hoogte bleef van het Hengelose wel en wee. Poesse-Jan was een echt dorpsfiguur, met zo zijn aparte gewoontes. Zo spande hij zijn paard steevast uit op vaste adressen. Een daarvan was Versteegen (Geerbosch) in de Noordink. Eens vroeg hij de boerin daar hoeveel eieren ze voor hem had, want hij kocht onderweg natuurlijk ook in. Het antwoord was 40. "Dan doe ik er 40 bij en dan eten we die nu allemaal op." Zelf nam hij er alleen al 40 (!) voor zijn eigen rekening. "Hij had een maag als een mondharmonika", aldus Johan Berendsen.
In de winkel kwam een vrouw voor een pond kaas van 15 cent. Scholten sneed een stuk van 2 pond af. Het protest van de vrouw wimpelde hij simpel weg: "Kwaak maor niet zo. A'j gezond bunt, krieg i'j 't wel op en anders mik 't niks meer uut."
Een dochter van Scholten, Anne, trouwde met Gerrit Jan Berendsen (1876-1968, 91 jaar geworden dus), een zoon van een Zelhemse hotelhouder. Hij was begonnen als bediende in Dinxperlo en kwam vervolgens bij Wansink. Daar leerde hij Anne kennen, zij woonde schuin tegenover. Scholten had nog een dochter, die met een bakker uit Diepenheim trouwde en een zoon, die op 11-jarige leeftijd stierf.
Berendsen nam de zaak van Scholten in 1928 over. Berendsen was anders van karakter: vriendelijker en zachtaardiger. Hij kreeg drie kinderen: Johan, David en een dochter, die later naar Vlaardingen verhuisde.
In 1930 kwam Johan, 17 jaar oud, al in de zaak. Zijn vader gaf hem, zonder zijn medeweten, op voor de opleiding tot drogist. In 1938 werd het bedrijf dan ook uitgebreid met een drogisterij. Johan behaalde op zijn 21e het rijbewijs, maar pas veel later in 1949 werd een bestelauto aangeschaft. Tot dan was de transportfiets een veel gebruikt vervoermiddel voor de winkelier.
Een kruidenier was van alle markten thuis. Prachtige etalages hadden de winkels voor de oorlog niet. Er was wel van alles te koop. Johan Berendsen noemde het: van stopnaalden tot petroleum, van rode zakdoeken tot wijn. Uiteraard vooral levensmiddelen, etenswaren en huishoudelijke artikelen. Tot de inventaris van een winkel behoorde in 1880:
koffie, thee, boter, eieren, schinken (ham), kandij, olij, lak, stroop, zout, rijst, suiker, zeep, soda, teer, tabak, spijkers, sajet, boenders, lint, kammetjes, lampeglazen, touw, handschoenen, peper, kruidnagelen, lucifers, petroleum en vele andere artikelen.
In de jaren dertig waren er liefst 36 kruideniers in de gemeente Hengelo. Meest kleine winkeltjes die van alles en nog wat verhandelden. De kruideniers hadden doorgaans bijbanen zoals doodgraver of koster.
Het ging er heel gemoedelijk aan toe. Van onderlinge concurrentie was geen sprake. Iedere winkel had zijn eigen klantenkring. "Als een keer een klant van ons bij Wansink kwam, kwam Wansink hier of er iets gebeurd was. nooit werd geprobeerd elkaars klanten af te troggelen.
Je wist precies wie de winkel bezocht had die week. Als iemand niet geweest was, ging je naar deze persoon toe; want dan moest er iets aan de hand zijn.
De meeste mensen waren arm. Ze wilden wel betalen, maar konden dat vaak niet. Bij het begin van de oorlog stond er voor ¦8300 in het boek. Een enorm bedrag in die tijd: het hele pand was ƒ11000 waard. Een echtpaar verdiende vijf gulden per week. Het gebeurde niet zelden dat mensen ƒ15,- leenden voor een kermis.
Op zondag kwam het kerkvolk. Dat waren vaak boeren, die dikwijls tot de 'fienen' behoorden. Ze stonden ook bekend als 'knieperig', en van dat soort hadden we er een hele boel in Hengelo. Ze hadden ook hun invloed in de gemeenteraad, ze hebben een heleboel tegengehouden. Na de mis deden ze inkopen, daarvoor hadden we de winkel geopend. De boeren kwamen dan meteen voor het (gratis!) kopje koffie en namen en passant wat spek en zeep mee uit de winkel.
Na de oorlog werd de zaak gemoderniseerd. In 1951 ging de inmiddels 75-jarige Gerrit-Jan uit de zaak. Johan en David gingen verder. Johan meestal in de winkel, David ging de boer op met de bestelauto. Bestellingen werden gedaan met behulp van een boekje. In 1955 vond er een verbouwing plaats. Daarna kwamen Johan en zijn echtgenote Riek bij de winkel te wonen. Sinds hun huwelijk in 1943 hadden ze aan de Vordenseweg 10a gewoond. In 1968 ging David naar kruidenier Veldkamp in Doetinchem.
Bij Berendsen was sprake van twee verschillende winkels: een oud gedeelte en het nieuwe gedeelte precies op de hoek. In de zaak werkten een winkelmeisje en een werkmeisje. Die waren ook in kost. Een van de beste winkelmeisjes was van Mulderij uit Steenderen. Zij wist van wanten en kon zomaar tegen mij zeggen: "Vandage mo'j niet te völle met de reizigers (vertegenwoordigers) praoten, wi'j motten an 't schoonmaken".
Volgens de Reclame uit 1951 had schoonzoon Gerrit Jan Berendsen in 1934 de zaak op de hoek gekocht (van Jansen?).
In 1951 was het een unicum dat de koffie- en pindabranderij nog steeds in bedrijf was. Douwe Egberts en Van Nelle kwamen al met de verpakte koffie, maar zelf branden was uiteraard verser. Wansink deed het ook nog zelf.
In het Ned. Weekblad voor Kruidenierswaren staat in het nummer van 3 jan. 1952, bij het 75-jarig jubileum van de zaak: "Deze kruidenier, al woont hij op een plattelandsdorp, weet dat de verkoop van wijnen vele mogelijkheden biedt voor de kruideniersbranche. De schitterende jubileumetalage bewijst dat de eigenaar weet hoe hij wijnen moet pousseren".
Ze verkochten veel wijn. Bier en jenever was "goddeloos" voor velen. Van wijn stond in de bijbel dat je dat mocht drinken, dat mochten zelfs de christelijke boeren drinken. Vooral 'Samos', een zoet wijntje was geliefd. Op bruiloften was dat niet aan te slepen.
In 1955 vond er een verbouwing plaats. Daarna kwamen Johan en zijn echtgenote Riek bij de winkel te wonen. Sinds hun huwelijk in 1943 hadden ze aan de Vordenseweg 10a gewoond. De verbouwing viel duurder uit dan de begrote ƒ2500. Uiteindelijk kwam het bedrag op ƒ9000. Carel Cuppers was de aannemer, Bernard Onstenk de timmerman, Willem Winters deed het loodgieterswerk. Uiteraard werd alleen aan vaste klanten deze klussen gegund, zo ging dat.
De centralisatie van middenstandszaken had al voor de oorlog zijn beslag gekregen. In de oorlog was er een opleving voor de zelfstandige kruideniers, maar nadien werd deze in ras tempo gesaneerd. Berendsen: "De supermarkten van Centra, VIVO, Spar namen de winkels over. Wij gingen in zee met T.I.P. (Tot ieders Profijt). Je moest meedoen om te overleven, maar het betekende wel het begin van het einde voor de ouderwetse winkeltjes.
Het had ook nadelen: bij reclames moest je het bv. 20 cent goedkoper aanbieden, zodat je er zelf maar 3 cent aan overhield. De tijd van de grote supermarkten heb ik niet meer meegemaakt, althans niet in Hengelo toen ik nog werkzaam was.
Johan werkte tot 1976 in de zaak. In dat jaar werd de winkel gesloten. "Ik zat vlak voor mijn pensioen en kon toen goed geld krijgen van de sanering. In 1977 kwam er een Chinees restaurant in; ik heb sindsdien veel Chinese les gehad."
Veldwachters.
Tegenwoordig kussen de bruid en bruidegom elkaar, ik stond op Riek's sleep en ze zei: "Kiek toch uut". We hebben feest gegeven bij Langeler. Ondanks de oorlog kon er gegeten en gedronken worden. Het scheelde dat we zelf een zaak hadden. Van Burk woonde vlak naast ons. Zij hadden vlak voor de oorlog de slagerij van Wijn Philips overgenomen. De familie Van Burk kwam uit Elst.
Op de bruiloft kwam ook de veldwachter Bakker. Zogenaamd om te kijken of de vergunning in orde was, maar het ging hem uiteraard om een borreltje. Dat deden toen alle veldwachters. Ze maakten misbruik van hun positie. Ze betaalden nooit. Wisselink was er ook goed in. Hij ging naar een café voor een fles drank en dan zei hij: "Betalen doe ik later wel". Maar dat deed hij dus nooit. En zo scharrelden dit soort mensen ook van alles bij elkaar bij winkeliers en boeren (aardappels, groenten). Niemand die er iets van durfde te zeggen. Tegen een boom van een kerel als Wisselink liet je dat ook wel. Anders pakte hij je een andere keer terug door bv. een bekeuring te geven als je na sluitingstijd nog open was. Iedereen schoof hem daarom maar iets toe, dan stond hij in gevallen van nood tenminste achter je.
Oktober 1944 was het gemeentepersoneel van Hengelo ondergedoken. De Duitsers dreigden om Hengelo plat te branden, als ze niet tevoorschijn kwamen. Naar aanleiding hiervan werd er een bijeenkomst georganiseerd bij het Jodenkerkhof op 't Klooster in Varssel. Men was bang dat de Duitsers en NSB-ers represaillemaatregelen zouden nemen als er niet genoeg mensen voor arbeid geleverd werden.
Het was een bijzondere lugubere bijeenkomst. Alles pikdonker, lopend tussen de graven. Opeens klonken er spookachtige geluiden. Veldwachter Weideman schrok zich wild toen er plotseling iemand een onverwachte beweging maakte. Hij trok direct zijn pistool. Het bleek "Bultje" te zijn, een man met een kromme rug, die in de buurt woonde.
Johan Berendsen leverde boodschappen aan de onderduikers op 't Kervel.
In de oorlog was alles op de bon. Ook de evacués hadden alleen bonnen bij zich waar we niets mee konden doen. De Duitsers die in de winkels kwamen betaalden wel met geld, maar daar had je ook niets aan. Je kon er nergens iets voor kopen.
Eens kwam er een Duitser bij ons in de winkel. Mijn vader informeerde 'gewoon' of Berlijn platgebombardeerd was. Die Duitser werd zo kwaad dat hij zijn revolver trok. Later liepen we altijd met een grote boog om hem heen; hij mocht ons een terug willen pakken.
Mijn vader was ook bang. Hij was wel boven de 60, zodat hij vrijgesteld was van graven voor de OT, maar de regels veranderden nogal eens. Aan het eind van de oorlog waren er bijna geen mannen tussen de 18 en 60 jaar op straat te zien. Wie niet hoefde te graven liet zich niet zien, want dan zou hij ongetwijfeld aangehouden worden.
Ik heb nog 14 dagen bij de dames Roelofsen vlak naast ons aan de Raadhuisstraat ondergedoken gezeten.
Na de bevrijding was er de P.O.D. met o.a. Beemsterboer en Muntenga. Er was veel kritiek op hen. Ze matsten bepaalde mensen, zoals dr. Ter Bals.
Bij de bevrijding werd Pelgrim in Spalstraat neergeschoten. Was vreselijk sterke kerel, was zwaar gewond maar kwam er toch bovenop.
Telefoon
Daar was kruidenier Berendsen niet de eerste mee. "Ik keek wel uit. Dan kon ik voor een pakje lucifers naar ds Barbas kleppen, want alleen die lui hadden telefoon.
Nog vind ik het maar niks als mensen een half uur aan de hoorn hangen, dat waren wij nooit gewend."
Tram
Wanneer Scholten met de tram naar Zutphen wilde op een marktdag, dan meldde hij dit een dag van tevoren bij de machinist. Die stopte dan keurig voor het huis.
Scholten stapte dan in met de kleren op de arm. De conducteur kleedde hem dan aan! Normaal deed dat zijn vrouw, maar mannen waren kennelijk niet in staat zich bij nette gelegenheden conform de regels te kleden.
In Vorden ging de tram langs Hotel Bakker. Daar werd de tram even op een wissel 'geparkeerd', zodat rustig een paar borrels genuttigd konden worden.
Markt.
's Woensdags was marktdag. Dinsdagsavonds kwamen dan 20-25 paardekooplui uit de tram. Zij moesten onderdak hebben, dat ze dikwijls bij de dames Philips aan de Veemarktstraat kregen. Daar woonden 3 vrijgezelle zusters.
Dorpsfiguren:
* grootvader van Felix Takkenkamp (vader was melkboer).
Had bijnaam "Jan Politiek". Praatte altijd over politiek, zat ook in gemeenteraad.
Eens hadden de 'fienen' (de christelijken) het voor elkaar dat de cafés 's zondags gesloten moesten worden. Takkenkamp had daar ook voor gestemd, terwijl iedereen wist dat hij ook wel een borreltje in de kroeg dronk. Bij een partijtje biljarten bij Maresch viel Nölle Wolsink hem hierover aan.
* Hannes Jolij, kleermaker.
Lid kermiscommissie. Een knecht bij Tijdink, van arme adel, vroeg Hannes eens op de kermis: "Wanneer krijg ik mijn broek nu eens?" Het antwoord was: "O, daar heb ik voor onze Jan (Besselink, de smid) een onderbroek van gemaakt!"
Berendsen zat bijna 40 jaar in de marktvereniging, waarvan 14 jaar als penningmeester.