OLD HENGEL
De historie van Hengelo Gld
20e EEUW
In de eerste jaren van de 20e eeuw bestond er in Hengelo een grote verloting. De loterij was jarenlang onderwerp van gesprek, ook na het einde ervan. Niet alleen omdat deze landelijke bekendheid genoot, maar vooral omdat organisator Derk Jan Jansen op grote schaal fraude zou hebben gepleegd. Hij zou zich flink hebben verrijkt met deze lucratieve bezigheid. Zeker voor die tijd had de "Loterij van Jansen" of "Loterij van Rozegaar" een geweldige impact op de inwoners van Hengelo en ver daarbuiten.
Hoe precies de vork in de steel zat, is niemand ooit te weten gekomen. Jansen ging erg gehaaid te werk. Bij onderzoeken konden geen onvolkomenheden worden aangetoond. Toch waren er veel vraagtekens en was de verloting omgeven met verdachte praktijken. Justitie heeft zich nooit echt verdiept in de zaak, misschien omdat er geen aanklacht was. G. Morsink zette een halve eeuw later een en ander op papier, maar het was een incompleet onderzoek. Hij kreeg veel boven water, maar moest ook veel in het ongewisse laten of gissen. Het bleef bij vermoedens. Nooit was de waarheid aan de mond van Jansen zelf of een van zijn talloze medewerkers onttrokken. Morsinks onderzoek was de basis voor dit hoofdstuk, het uitpluizen van oude kranten leverde aanvullende informatie op.
De hoofdpersoon kwam op 10 augustus 1863 in Ambt-Doetinchem ter wereld. Hij trouwde daar in 1884 met H.J. Colenbrander. Ze kregen twee kinderen: Mina en Derk Jan jr. Mina (1886) huwde in 1921 mr. B.J. Nöthorn, een advocaat. In 1933 werd dit huwelijk door echtscheiding ontbonden. De kleine Derk Jan (1888) leefde slechts 26 dagen. Na het overlijden van zijn eerste vrouw trouwde Jansen opnieuw in 1930 met Hendrika Seinhorst. Hij was een broer van Herman C. Jansen van ‘De Lange Wagen’.
Derk Jan Jansen kwam in 1886 naar Hengelo. Hij nam het failliete bedrijf Poesse, Wansink & Co over, na daar als winkelbediende gewerkt te hebben. De korenmolen werd gesloopt, maar hij ging verder met slachterij (De Roos) en een winkel aan de Spalstraat. Jansen bleek werklustig en bezat ondernemingsgeest. Hij maakte van de zaak weer een florerend bedrijf. Morsink vermeldde daar wel bij, dat hij daarbij niets en niemand ontzag. Hij was niet kieskeurig bij het bereiken van zijn doel. “Jansen was een brutale man met een moraal en zedelijk peil van een laag niveau”, aldus Morsink. “Hij dreef menigeen het water in de ogen”. Hij bezat al snel diverse onroerende goederen in en rond Hengelo.
Morsink schatte dat Jansen al rond 1890 begonnen moest zijn met de loterij. In 1904 was nl. de 20e verloting en hij hield er minstens twee per jaar. Deze berekening van de ambtenaar was onjuist. De eerste verloting was namelijk in 1901. Waarschijnlijk met groot succes, want daarna nam de frequentie snel toe. In 1903 en 1904 waren er zeven per jaar! Het ontbreken van een goede loterijwet gaf hem alle gelegenheid gebruik te maken van de drang om te gokken van veel mensen. In 1897 was beslist dat overtreding van het verbod van de wet van 1814 op het houden van loterijen niet meer strafbaar was. Het aantal loterijen nam daarna explosief toe. De gelegenheid maakte de dief. Jansen wist aardig van de mazen in de wet gebruik te maken. Hij stond hiertoe in contact met de Zutphense advocaat mr. De Jonge.
De loten werden via depots over het hele land verspreid. Jansen had hiervoor een reclamebureau in Amsterdam ingeschakeld. Dit was het NV Atlas Reclame- en Adviesbureau op de N.Z. Voorburgwal 298. Een zekere D.J. Alta moet hier een rol hebben gespeeld.
Trekkingen waren altijd in hotel De Carper van buurman Willem Witte. Jansen werkte met twee draaiende trommels, een voor de loten, een voor de prijzen. Deze werden er zo stevig ingestopt, dat ze op de plaats bleven liggen waar ze ingestopt waren. Het aantal lotnummers was gelijk aan het aantal loten, zodat daar geen speld tussen te krijgen was. De veel te kleine trommel werd gedraaid, zodat het leek alsof ze goed door elkaar werden gehusseld. Dit gebeurde in het bijzijn van de Zelhemse notaris Schepers om er een officieel tintje aan te geven.
De trekking ging als volgt: het eerste getrokken nummer was de hoofdprijs; het tweede de tweede prijs etc. Bij de trekking waren medewerkers betrokken, die in goed contact met Jansen stonden dan wel verplichtingen aan hem hadden.
Bij de eerste trekking op 12 juli 1901 waren als hoofdprijzen een bouwmanswoning, paarden en koeien te winnen. In hetzelfde jaar organiseerde Jansen nog eenmaal een verloting met 1000 gulden als belangrijkste prijs. De zaken gingen goed, het aantal verkochte loten groeide en de prijzen gingen navenant omhoog. Ook het aantal loterijen per jaar steeg snel. In 1902 waren er drie, in 1903 en 1904 telkens zeven. Al bij de 3e trekking (15 april 1902) kwam de verloting in opspraak. Wegens vermeende ongeregeldheden bij de loterij werd notaris Schepers uit Zelhem bekeurd. De officier van justitie stelde kritische vragen, maar daar bleef het bij.
Op 21 november 1903 was de 12e verloting. Een lot kostte 65 cent. De eerste prijs bedroeg inmiddels 10.000 gulden. In totaal 2000 prijzen ter waarde van 21.350 gulden. De 60.000 loten leverden ¦39.000 op. Dan bleef er ¦17.650 over! Na aftrek van wat kosten en mogelijk niet-verkochte loten zal zeker de helft aan de strijkstok van Jansen zijn blijven hangen! Het waren enorme bedragen voor die tijd. Al hield Jansen er 'slechts' 5000 gulden aan over (daar ging Morsink van uit), dat was in 24 verlotingen toch een kapitaal van 120.000 gulden! En daar betaalde hij echt geen belasting over.
Volgens boze tongen viel de hoofdprijs altijd bij de niet-verkochte loten. Dit was natuurlijk mogelijk gezien de 'inpakking' van de loten. Of dit werkelijk altijd zo gebeurde, is twijfelachtig. Jansen was te sluw, om dit elke keer zo te spelen. Dat zou snel verdacht lijken en dan zou hij geen lot meer verkopen. Hij zal het wel afgewisseld hebben. Zeker is dat veel prijzen er niet uitgingen! De niet-verkochte loten moesten voor de trekking bij Jansen worden ingeleverd. Hij wist dus altijd precies welke lotnummers niet waren verkocht.
De hoofdprijzen waren aantrekkelijk: een woning (“villa”), rijwielen, naaimachines, horloges, grote geldprijzen. Veel van die prijzen kwamen bij bekenden van Jansen terecht! Zo was bekend dat de gelukkige winnares van een fiets een nichtje van Jansen was. Dat zij onmiddellijk voor de ogen van de toeschouwers met de prijs vertrok gaf te denken.
Het volgende verhaal illustreerde de handelwijze van Jansen nog beter. Als hoofdprijs stond op de trekkingslijst een villa. Het bleek een bouwvallige landbouwerswoning in 't Gooi (C40). De prijs was gewonnen door een Amsterdamse jood. Deze toog vol vreugde naar Hengelo om de prijs te innen. Na het bezichtigen van de 'prijs' ontstak hij in woede en beklaagde zich bij Jansen. De goede man kon niet weten wat voor man Jansen was. Die deelde de winnaar het volgende mee: “Wie maakt hier uit wat een villa is. Ik toch zeker. Heb maar geen praatjes anders gooi ik je er uit”. De man kwam er nog goed van af met duizend gulden.
Jansen maakte veel indruk met zijn optredens. Morsink beschreef hem als een fors gebouwd persoon met baard en kleine varkensoogjes. Briesend als een leeuw durfde niemand hem tegen te spreken. Ook vooraanstaanden niet, zoals bleek uit vele verslagen van de gemeenteraad.
Andere voorbeelden: op de prijslijst stond een "lap stof". De winnaar kreeg dan een el katoen. Dit was niet wat hij had verwacht, maar hij kon er niets aan doen. Het was een lap stof...
Het volgende gesprek is ook voor de overlevering bewaard gebleven. Naast Jansen woonde Willem Menkhorst, een notarisklerk, in een huis van Jansen. Hij zag de dochter van Jansen en een nichtje beiden op een nieuwe fiets wegrijden. Menkhorst was niet bang voor Jansen: “Daor gaot al 'n paar priezen en d'r is nog ens niet elot”. Waarop Jansen terugsnauwde: “A'j ow grote bek niet holt, dan gao'j 't huus uut”. Menkhorst was niet onder de indruk: “As ie geen lotteri'j had, was ie d'r allang uut ewes”. Jansen had hierop maar niets meer gezegd.
De vermoedens van fraude werden steeds sterker, zodat de officier van justitie vaker werd ingeschakeld. Op 15 januari 1904 schreef hij aan Meyjes dat hij notaris Schepers moest waarschuwen geen hulp te verlenen bij een verloting en anders gevaar liep onder art. 500 van de Wet op het Notariswezen te vallen.
Een dag later antwoordde Meyjes: Hedenmorgen even voor de verloting heb ik den Schepers, notaris uit Zelhem, laten uitnoodigen ter secretarie te komen. Hij voldeed hieraan terstond en werd toen mij met den inhoud van Uwe missive in kennis gesteld. Onmiddellijk antwoordde hij "dan zal ik Jansen zeggen dat ik het niet doe". Jansen heeft toen naar Zijne Excellentie den heer Minister van Justitie getelegrafeerd en de verloting uitgesteld. Enkele uren later kwam Jansen bij me, vertoonende een telegram van den Secretaris-Generaal namens den Minister houdende als volgt: "Onder gegeven omstandigheden zal op nalating niet verder worden aangedrongen". Hij wilde nu nog probeeren hedenavond de trekking te doen plaats hebben.
Jansen was niet bang voor officier en burgemeester, dat was zeker. Hij schakelde zelfs de minister in voor steun. Die moet onder de indruk zijn geweest van de inhoud van zijn telegram!
Meyjes gaf ook uitleg aan de commissaris van de koningin. Alle twaalf trekkingen waren tot dan in het logement De Carper gehouden onder toeziend oog van notaris Schepers uit Zelhem. Hierbij was geen toezicht van de gemeente, dus konden er geen inlichtingen verstrekt worden over onregelmatigheden en frauduleuze handelingen. Een eerlijke gang van zaken werd in twijfel getrokken.
Twijfel of niet, de prijzenpot en de winsten stegen snel. Op 27 maart bij de 14e verloting waren er 60.000 loten en 1500 prijzen, waaronder hoofdprijzen van ¦5555, ¦1999 en ¦999. De volgende trekking op 9 mei had 10.000 gulden als enorme hoofdprijs, te vergelijken met tegenwoordig een miljoen! Het aantal loten bedroeg 100.000 met 3334 prijzen. De stijging ging onverdroten voort evenals de frequentie. Vrijwel elke maand was er een trekking, op 18 juni, 30 juli, 10 september en in oktober. Op 3 december 1904 was de 20e verloting: hoofdprijs ¦13.000. 2e prijs: een huis of ƒ2000. Verder ƒ1000, ƒ500 en 6 paarden.
Maar er kwamen toch steeds meer protesten tegen de oneerlijke gang van zaken. In het blad 'De Avondpost' was een discussie ontstaan over de (on-)eerlijkheid van de ondernemer D.J. Jansen. Na een paar klachten over hem, verantwoordde hij zichzelf in dat blad :
Hengelo, 7 Juli 1904. Mijnheer. U zoude mij zeer verplichten om die antwoorden die op het stukje in komen in Uw blad Wonder over de Hengeloosche Looterij mijn te willen zenden. Ik vind geen wonder om als er 100.000 nummers zijn kunnen er wel achtereenvolgenden uitkomen. Maar om wat te nemen waar niet is vind ik wonder.
D.J. Jansen.
Ietwat ingewikkeld, maar in ieder geval werd hij beschuldigd van fraude. De schrijver in De Avondpost, die daarover vervolgens de pen ter hand nam, noemde zich Mr. X. Hij stelde de vraag of bij de nieuwe trekking van 30 juli de justitie niet aanwezig zou moeten zijn. Die moesten tussenbeide kunnen komen om zulke loterijen te voorkomen. Ze gingen ten koste van “de mindere man”. Een afschrift van dit schrijven ging naar ministerie van justitie, officier van justitie en de ondernemer van de verloting.
Op 22 augustus een ingezonden brief in de Zutphense Courant: De ondergetekende H. van Wijk te Nieuw-Vennep (Haarlemmermeer), afgaande op een bedreiging door D.J. Jansen, ondernemer van verlotingen te Hengelo G., per circulaire te zijner kennis gebracht, verklaart hiermede dat door hem nimmer aan gemelden Jansen's loten der 17de Hengelosche Verloting zijn besteld en het toch zeker enkel aan ondergetekende's oordeel zal afhangen of hij hem toegezonden loten al of niet wil terugzenden.
Op 15 december 1904 bleek dat het wantrouwen verder groeide. De burgemeester schreef aan de officier van justitie dat hij niet kon achterhalen wie de hoogste prijzen had gewonnen in de laatste loterij. De ondernemer had verteld, dat hij aan niemand hiervan bericht zond. Wel was het zijn plan om bij volgende loterijen gedeeltelijk de namen van de prijswinnaars bekend te maken.
Op 13 februari 1905 een advertentie voor de 22e Hengelosche Verloting. De trekking zou op 18 februari zijn. Op iedere 40 loten viel een prijs. De hoofdprijs was ¦20.000. Andere prijzen: ¦2000, ¦1000, ¦500, 5x¦100, 10x¦50, 10x¦25, 50x¦10, 100x¦5, 820x¦2,50, 700 gestikte dekens, 400 leuningstoelen en 400 albums. Prijs per lot twee kwartjes.
In de Zutphense Courant stond een ingezonden brief over de vorige verloting van 17 januari. De inzender maakte een rekensom: aan prijzengeld was er ¦35.000. De inkomsten bedroegen 100.000 x ¦0,50 = ¦50.000. De ondernemer maakte dus ¦15.000 winst, een derde van de ontvangsten. Na aftrek van de onkosten bleef er nog een lief sommetje voor Jansen over. Misschien werden niet alle loten verkocht, maar werden wel alle prijzen, met name de hoofdprijzen uitgekeerd? En dan nog de winkans: 1 op 40 loten. Bij de staatsloterij was dit 1 op 2! Laatste vraag: Waarom geschiedt de trekking niet meer ten overstaan van een notaris, zooals vroeger, en dan liefst op een vooraf bepaald uur?
Overigens waren er in den lande meer van dergelijke loterijen, en vaker hadden ze een slechte naam. Zo werd er volop gewaarschuwd tegen de Woerdensche Verloting. De winnaar van een hoofdprijs had maar vijftienhonderd in plaats van de beloofde vijftienduizend gulden gekregen.
Jansen kreeg het steeds moeilijker. Hij had zich 22 keer kunnen verrijken met de verloting, maar daar leek een eind aan te komen. Bij de 23e verloting in maart moest, nadat enkele nummers waren getrokken, de trekking worden gestaakt, omdat de marechaussee uit Ruurlo de bus in beslag nam.
Elf personen, die Jansen die dag behulpzaam waren, werden in de loop van de dag ondervraagd over de wijze van de verloting. De bus met nummers werd verzegeld. Jansen verzocht bij het onderzoek van de bus tegenwoordig te zijn, hetgeen werd toegestaan. Het onderzoek vond begin mei plaats. Steekhoudende bewijzen van fraude konden niet aangevoerd worden. Wel werd de trekking van de 23e verloting alsnog uitgevoerd op zaterdag 27 mei. Uiteraard in het bijzijn van rijks- en gemeentepolitie.
Nog gaf Derk-Jan het niet op. Onder een advertentie voor de volgende loterij verklaarde hij dat na het onderzoek van de 23e Hengelosche Verloting alles aan hem was teruggegeven wat in beslag genomen was. De rechter-commissaris had verklaard dat alles in orde bevonden was. Het was dus geen bezwaar weer loten te kopen, nu tegen de goedkopere prijs van 35 cent. Jansen was niet achterlijk, hij wist dat op er hem werd gelet. Hij had er wel voor gezorgd geen zichtbare fouten te maken. Toch was de 24e verloting op 27 juni (hoofdprijzen ƒ2000, een paard en een koe) volgens mijn informatie de allerlaatste. Misschien verkocht hij niet veel loten meer, nu het wantrouwen groeide.
Het einde
Op 15 november het volgende bericht: B&W brengen ter kennis van belanghebbenden dat tot het houden van verlotingen en van St. Nicolaasartikelen, zooals speculaas etc. voortaan geen toestemming meer kan worden verleend op grond van het bepaalde bij art.3 der Loterijwet: "Tot het aanleggen en houden van eene loting, uitsluitend strekkende tot een liefdadig doel of bevordering van wetenschap, kunst of een ander algemeen belang en waarin de prijzen of premies niet in geld of geldwaardig papier bestaan, kan toestemming worden verleend indien de prijzen en premiën gezamenlijk geen grootere waarde van 100 gulden hebben door B&W waar de loterij zal worden gehouden en indoen die waarde meer dan 100 gulden bedraagt door ons, op voordracht van onze Minister van Justitie.
Deze loterijwet was pas in werking getreden. Hierdoor kon ook eindelijk een halt worden toegeroepen aan de verloting van Jansen. Verder onderzoek is niet gedaan, zodat Jansen nimmer is vervolgd of bestraft. Morsink eindigde zijn bevindingen (getekend 21 september 1956) met een slotwoord over Jansen:
Rekening houdende met de mentaliteit van de ondernemer, kan men rustig aannemen, dat hem elke verloting zeker een winst van een slordige ƒ5000 opleverde, in totaal meer dan ƒ100.000, maar waarschijnlijk vele malen meer. Aan de verloting zat een luchtje; men mag aannemen dat de grote prijzen nimmer werden uitgeloot. Dit mag onwaarschijnlijk lijken, maar voor diegenen die hem gekend hebben en weten welke bezittingen hij tenslotte had is dit minder ongelofelijk.
Persoonlijk heb ik Derk Jan Jansen zeer goed gekend. Niet alleen als inwoner van Hengelo, maar ook als raadslid en iemand die zich in het verenigingsleven bewoog. Hij was een werker met initiatief. Ik herhaal echter, dat de door hem gebruikte middelen niet altijd aanbevelenswaardig waren. Als hij een voorstel deed, dan was dit altijd “in het algemeen belang”, maar iedereen wist dat vaak eigen belang was.
Jansen bleef ook hierna een prominente rol in Hengelo spelen, o.a. als gemeenteraadslid. Als zodanig kwam hij wel veelvuldig op voor de Hengelose belangen. In 1911 daagde burgemeester Knottenbelt hem voor de rechter na enkele flinke aanvaringen, waarbij Knottenbelt verklaarde dat "deze excentriekeling met psychische stoornissen zo snel mogelijk opgesloten moest worden." Het liep voor Jansen weer met een sisser af.
De loterijen hadden Jansen geen windeieren gelegd, hij bezat veel onroerend goed in en rond Hengelo. In de jaren zestig verrees een nieuw openbaar schoolgebouw op grond dat vroeger in bezit van Jansen was, vandaar de naam ‘Rozengaardsweide’.
Derk Jan Jansen overleed op 88-jarige leeftijd op 24 december 1951.