OLD HENGEL

De historie van Hengelo Gld

 

 


 

20e EEUW

 

 

Grada Roes-Besselink (1903-2000)

Weduwe van Frans Roes (Herman van Velzen, 1902-1974), toen Banninkstraat 15

Gesprek 12-03-1996, opgetekend door Willy Hermans.

Familie

Haar ouderlijk huis stond aan de Varsselseweg. Haar vader was Frans Besselink, botermaker aan de zuivelfabriek. Hij behoorde tot de eerste werknemers vanaf de opening in 1901. Hij bewerkte de boter nog met de hand (boterspaan).

Thuis waren ze met 9 kinderen, waarvan 4 nog leven. Grada (Gerarda) is de tweede.

Besselink de Klok (café, hoek Banninkstraat / Raadhuisstr.) en Besselink de smid (hoek Kastanjelaan/Banninkstraat) zijn geen familie van Grada. Op de laatste woonden Herman en Rika, broer en zus, beiden ongetrouwd. Het café was eerst nog een fietsenmakerij.

Herman Besselink van het café (en waaggebouw, Herman was de waagmeester) was ook geen familie. Hij trouwde met Marie Wissink. 'Ma Besselink' wist van wanten, ze was bepaald niet op haar mondje gevallen.

Jos. Besselink was een goede zanger, bekend in het hele land. Hij was een broer van Herman, de waagmeester. Jos trouwde met Annie van Langen uit Zutphen.

 

De moeder van Bart Kroesen was een zus van Grada's vader. Bart's vader, Toon Kroesen, was nachtwacht. Met Kerstmis maakte hij ons om half 4 wakker voor de nachtmis.

Hij was de katholieke nachtwacht. Er waren er twee, de een katholiek, de ander protestant. Bij de nachtwachten was dat netjes verdeeld, maar dat was in Hengelo een uitzondering. Katholieken kregen bij de gemeente nooit de beste baan­tjes, protestanten hadden nu eenmaal de overhand. Wethouders, veld­wachters, zij waren meestal hervormd.

Frans Roes

 

De familie Roes is hier in 1919 komen wonen aan de Banninkstraat 15. De tweelingzusters kwamen uit Gaanderen. Frans ( 1902-1974) was de enige zoon van de helft, mevr. Roes-Zaarbelink. Frans' vader overleed in 1907. Frans en Grada trouwden in 1933, na 7 jaar verkering. Ze hadden elkaar ontmoet op de Hengelose kermis, zoals zovelen. Grada kwam ook aan de Banninkstraat 15 te wonen.

 

Frans begon al op jonge leeftijd met schrijven, zo rond zijn 16e/17e jaar. Het spookverhaal (Graafschapbode 1924, zie "Olde Kaste", over gebr. Hilderink) was een van zijn eerste verhalen (getekend "Frans uut Hengel"). Hij schreef altijd in dialect.

Van de pastoor (Verheuvel) moest hij in de katholieke krant schrijven (Volkskrant, niet te verwarren met het landelijke dagblad).

Frans was een goede vriend van Misset, die hem vroeg voor de (protestantse) Graafschapbode te schrijven. Misset heeft de familie Roes veel geholpen in de oorlog.

Frans was van oorsprong horlogemaker, de werkplaats was aan huis. Hij had het vak geleerd in Vorden.

 

Hij schreef nooit over vervelende dingen. Er kwamen wel eens mensen hier om hun verhaal te vertellen, zodat Frans daarover kon schrijven. Als dat nare dingen waren of over personen dan maakte hij daar geen gebruik van (volgens mij wel!!! en hij kon daarbij soms behoorlijk overdrijven!!); hij liet zich niet misbruiken.

Het gaf soms wel aanleiding tot misverstanden: zo kwam er eens een boer uit Noordink, die boos was over een verhaal, waarin iemand omkocht met chocola (volgens Morsink wel degelijk waar gebeurd, wrsch. wist Grada niet allemaal wat Frans meemaakte). Hij dacht dat hij bedoeld werd, maar Frans had het helemaal verzonnen (..).

Hij las nooit na wat hij opschreef. Ik heb wel eens stiekem een paar regels doorgestreept. Daar kon hij later wel om lachen.

Alles rond Aornt Peppelenkamp was fantasie, maar ze waren wel gebaseerd op dingen die om je heen gebeurden.

Banninkstraat

 

De Banninkstraat werd ook wel Schoenmakerstraat genoemd (nooit officieel). Naast Roes woonde Pieper, een stille man, "een zuut keerltje". Hij gad een weitje in 'Rozengaardskouw' aan de Varsselseweg, niet ver van mijn ouderlijk huis.

Een dochter van Pieper trouwde met Berend de Bruin uit Apeldoorn. Hij kwam bij zijn schoonvader in de zaak, maar was absoluut geen vakman, wel NSB-er. Een kleindochter van Pieper leeft nog (Onstenk).

Tegenover ons (nu hoek Banninkstraat / Sterreweg) woonde een andere schoenlapper: Bilderbeek, een grote en sterke kerel. Ook hij had een weitje aan de Varsselseweg. Hij gaf altijd iedereen gelijk, een meeloper. Zijn zoon heette Willem.

Diens vrouw heeft zich opgehangen. Zo'n geval vond nog een keer plaats aan de Banninkstraat: een juffrouw Albers.

Waar nu Harmsen de Smid gevestigd is, was vroeger de speksla­gerij van Langeler. Hij was getrouwd met een dochter met een dochter van Poesse, zij had een hazelip. Ik ben wel eens in de winkel geweest om spek of ham te halen.

Onder het pand zaten grote kelders, waar het vlees hing te drogen.

De fam.Poesse is naar Vorden gegaan (Coveco/Welling). Ze hadden veel geld.

De oude Wansink was ook bij Poesse begonnen. Hij liet het dubbele huis tegenover ons bouwen (Korten, Klein Winkel, Luimes). Hermien Wansink was de 2e vrouw van zijn zoon Johan.

Bij Harmsen de Smid zaten 2 broers: Corrie en Gert. Gert had de winkel, hij was ook brandweercommandant. Een aardige man, hij onderhield altijd onze kachel.

Op de hoek was café De Zon, van Geert Bruggink. Waar nu Maanstraat en Zonnestraat liggen, was vroeger een leuk paadje naar de Vleemingmolen van Lebbink. ook langs de Laoke (Kastanjelaan) was een kerkepaadje. Dat waren prachtige stukjes natuurschoon om te wandelen. In de Laoke speelde de jeugd van toen. Ze vingen daar dikkoppen, zwommen ze, speelde bij de biggetjes.

Frans dronk wel eens een borreltje in café De Zon. Mijn vader ging ook wel eens naar het Witte Paard verderop aan de Banninkstraat, dat daar nog een zandweg was. Wij mochten ook wel eens  mee.

De Zon had als een van de eersten in Hengelo televisie. Het huwelijk van Grace Kelly  was het eerste wat ik op tv zag.

Bennie Willemsen heeft 20 jaar naast ons gewoond.

Daarnaast woonde Jan Sueters. Hij trof een verkeerde vrouw (Lejeune). Ze emigreerden naar Australië, maar Jan was snel terug. De kinderen werden elders ondergebracht, Alex (4 jaar) heeft een tijd bij ons gewoond.

Ook aan deze kant van de straat woonde Johan Weustenenk, een broer van Herman, de kapper. Hij werkte als machinist bij de tram.

Bij het oude armenhuis aan de Banninkstraat (in 1927 naar Kastanjelaan), liep een paadje. Daarachter lag een weiland van ons. In een hoekje zaten altijd vrouwen met mutsen op te breien. Het echtpaar Vingerling (zeer christelijk) zwaaide de scepter.

De Korte Banninkstraat bestond vroeger ook. Die was voorbij de huidige rondweg.

Aan de Berendschotstraat had Peter Kerkhofs een stuk grond (dat klopt, zie gemeentearchief, kwestie Kleve-Branderhorst). De familie Kerkhofs kwam uit België. Dat waren gebroeders, die handelden in beddegoed, manufacturen e.d. Zij be­hoorden tot de 'elite' en wilden dat ook weten. Peter was enig zoon (niet helemaal waar, paar kinderen na enkele maanden gestorven). Ze  woonden eerst naast de RK-kerk, waar nu de pastorie staat.

Meenink

 

Ik ben daar enkele jaren in betrekking geweest: van 1924 tot 1929. De eigenaar was Arnold Helmich. Hij was getrouwd met mevrouw van Nispen tot Pannerden; ze was van adel. Ik was dienstbode, maar meer een soort kamenierster voor mevrouw. Ik moest haar helpen uitkleden en verzorgen. Ze kon niet zoveel. Helmich kwam van Huis 't Baak. Hij ging altijd jagen, een beroep had hij niet, hij (of liever zij) had geld zat. Ik ben door hen goed behandeld. Ik was eigen baas. Die mensen waren wel 'knieperig' (gierig). Je moest precies met de suiker uitkomen.

Ook daar was Truus Bosman, de moeder van Gert en Piet Gerrits. Zij was het keukenmeisje, ik de tweede meid. Ze wilde altijd de baas spelen over mij. Toen ik begon zei ze: "Ik zal het je een keer uitleggen, dan moet je het weten. Als je het niet goed doet, ga je eruit". Ik luisterde niet , ik kon wel een potje breken bij mevrouw. Ze bracht me ook een paar maal aan, als ik iets verkeerds had gedaan.

De chauffeur was een vreemde man. Hij was in het buitenland geweest, bij het circus of zo.

De werktijden waren wel streng. Je moest tot 's avonds 22.00 uur werken, je mocht niet naar buiten. Maar veel controle was er niet, hij was vaak op jacht, zij kon niet zoveel. Ik sliep ook daar, was in kost.

 

Helmich was een van de eersten die een auto had. Daar mocht ik niet eens in zitten.

Op de boerde­rij die erbij hoorde zat de familie Elzebroek, later trouwde Lankhorst erbij in. Zij hielpen wel eens als er zwaarder werk was.

Er waren regelmatig deftige feesten met uitgebreide soupers. Dan moest ik helpen bedienen. Ik moest bij het eigen volk beginnen; zeker niet bij de jonkheer van 't Zelle, Bosch van Drakesteyn. Die nam altijd van alles, maar was zelf erg zuinig.

 

Veel vertier was er niet, schik moest je zelf maken. Dat hadden we ook wel. Met Anne Elzebroek hielden we verkleedpartijtjes. Ik verkleede me dan als mevrouw.

Als we eens even vrij waren gingen we op de Vordenseweg kijken of er een automobiel aan kwam, die waren toen een zeldzaamheid. Ze hadden 2 dochter: juffrouw Bertha en Riët, die trouwde met een van Sonsbeek. De huidige bewoner Van Basten Batenburg komt daar uit voort.

Bertha was ongetrouwd. Eigenlijk waren het zielige mensen, vond ik. Ze hadden een hoop geld, maar weinig vrienden en gezelligheid kenden ze niet.

 

Zuivelfabriek

 

Mijn vader, Frans Besselink, was een van de eersten die daar werkte. Verder waren daar in de begintijd: Bernard Smeenk, hij woog de ondermelk, Gert Nijman, de machinist, Hendrik Lubbers zat op kantoor, begon later een drukkerij (vader van Bertus), Arend Groot Roessink van de Hofstraat

Directeur was Hento. Hij was zeer gereformeerd, pa had er nog wel eens ruzie mee. Van Hento mocht de kermis ook niet, daar zat hij altijd op te schelden.

Frans Besselink bleef tot zijn 65e op de 'botterfabriek'. Bennie, van Oom Wim, volgde hem op.

Hengelo

 

Mijn zus Marie, later hetrouwd met een Uiterweerd, heeft 5 jaar bij Jan Scholten gewerkt. Die had in zijn winkel 2 bank­jes staan, waarop vaak mensen lang bleven zitten praten, vooral 's zaterdagsavonds. Een winkelsluitingswet bestond nog niet. Marie moest dan altijd de winkel schrobben. Als de mensen bleven zitten, kon het wel eens laat worden (tot half 1!)

Scholten had altijd de gewoonte te zeggen: "Hei'j koffie gehad?". Hij at ook altijd koffiebonen op.

Later mocht hij niet meer in de winkel helpen; hij maakte alle winkelboekjes door elkaar.

Van der Mond komt overigens nog de boodschappen bij Grada doen; ze waren al klant toen ze begonnen (rond 1935).

 

Frans was niet de enige horlogemaker in het dorp. Aan de Spalstraat zaten de 2 ongetrouwde broers (Gradus en Hent) van Wissink. De een had een bochel: "Bultje". Zij gingen altijd eten bij Witte, een hotel tegenover hun zaak.  Riekske Köhler was een nicht van hen. Haar man, Lambert Köhler (later ca. 1960 veron­gelukt) draaide zich in die zaak. Hij kwam van buiten het dorp. Frans mocht hem niet.

Joop van Gerven was horlogemaker bij Wissink.

 

Echte dorpsfiguren waren Ute Kreunen en Jan Gijsbers. Dat waren vrienden, die beiden op het gemeentehuis werkten. Pa schreef vaak over hen of over verhalen van die twee.

Bij Kreunen, de bakker, kwamen vel mensen samen om verhalen te vertellen. Zo ging dat vroeger; radio en tv waren er niet. De mensen zochten elkaar op, ze luisterden naar elkanders verha­len. De winkels waren punten van samenkomsten, de mensen bleven er hangen, haden alle tijd. Dat was heel gezellig.

Frans vond dat ook altijd prachtig; hij ging daar vaak naar toe.

Bij het NH-kerkhof was ook de Kreunenskamp, dat was ook een 'kerkepaadje'.

 

Dr Meinders was een heel oude dokter. Hij had een speciaal drankje tegen hoesten, dat erg goed hielp. Wij waren patiënt van Dr Dwars, een heel goeie.

 

Veldwachters waren Wisselink, Schuurman en Rodermond. De laatste vermoordde broer en zus Beumer. Dat was toen wat, daags na de kermis in 1919. Het was maanden gesprek van de dag. Iedereen wist ook wie het gedaan had, alleen er werd niets aan gedaan.

Veldwachter Bakker woonde eerst ook aan de Banninkstraat (nu het Vrijz.kerkje). Later woonde hij aan de Ruurloseweg.

Hij kwam eens bij ons, want dominee Barbas ("viezerik, echt zo'n fienen") had Frans aangegeven. Hij had Frans zien lopen met een kruiwagen vol hout. Frans is er later wel naar toe gegaan en heeft hem de waarheid gezegd.

 

Hoofd van de rk school (fam.Roes katholiek) was Geurts, een beste man. Heel wat aardiger dan Geurtzen later. Daar hadden mijn kinderen een hekel aan. Toen mijn zoon Theo en Jan Wan­sink naar de HBS gingen was Geurts daar maar wat trots op.

 

Tot de 6e klas heb ik les gehad op de Openbare School aan de Ruurlo­seweg, een katholieke school was er niet. De RK-school kwam toen ik in de 6e klas zat (begon in 1914, was Grada 11). Ik heb daar nog een half jaartje les gehad van meester Geurts. Zijn vrouw stierf in 1918 aan de Spaanse griep. Hij hertrouwde met haar zus. Kinderen: Paul (gestorven), René (Nijverdal), Nolda.

Meester Torlij van OLS was een bullebak, maar had het er moeilijk mee, dat een groot gedeelte van de kinderen tegelijk naar een andere school gingen. Hij woonde in een bovenmeestershuis naast de school.

Na de lagere school heb ik nog een jaar naailes gehad van de dames Wissink bij het Olde Kaste. Daar waren een hoop vrouwen thuis. Een daarvan, Anna, liep mank.

De weg daar naar toe liep via prachtige wandelpaadjes langs roggevelden. De naailes stelde niet veel voor, veel meer dan naalden vasthouden was het niet.

 

Als kind mochten we wel eens met vader mee met de tram naar Zutphen. Hij dronk daar dan koffie in het Volkshuis. Dat was een heel uitje toen. In de tram zat altijd volk. De fiets ging mee, die kon je stallen onder in de kelder van het Volkshuis. De chef van de tram was Vrugtman. Hij had een zoon Hans en een dochter Marie.

 

Vroeger kwam je nergens, zo'n reisje naar Zutphen, was al heel wat. Twee feesten had je per jaar: de kermis en de Koldemarkt. Dan kon je dansen bij Besselink de Klok, Maresch (voor de katholieken), Langeler, later ook Heesen en Michels.

In de Spalstraat was café Flora van Weustenenk. Daar speelde vaak een bandje: "Flodderwietske", met in ieder geval een harmonika. Bij Weustenenk kon je ook petroleum kopen, die stond altijd in vierkanten bussen. De oude vrouw foeterde altijd als je een bus verzette; dat gaf vlekken. Prompt pro­beerde je dat als kind altijd uit. Als je de winkel dan uitliep bleef je altijd even aan de deur staan kijken.

Daarnaast kon je het straatje in, waar een aantal kleine huisjes stonden. Sally Fortuin zat daar met ansichtkaarten en Sprenkeler. De huizen waren van Derk Jansen de Roos, een nare man. Onze kinderen daagden hem altijd. Ze liepen door de tuin en haalden ondeugden uit. De oude man kwam hen dan altijd met een stok achterna.

In de winkel van Jansen de Roos werkte de 'Duitse vrouw'. Jansen was gek op vrouwen en kon er ook moeilijk afblijven. De Duitse vrouw heeft echter op zo'n moment een bus melk over hem heen gegooid.

Brammetje Philips woonde ook in dat straatje, d.w.z. in het huis dat haaks staat op het huis van Bennie Grotenhuys. Philips handelde in lompen, sikken en kalveren. Hij kwam nog wel eens bij ons thuis, mijn vader had hem altijd voor de gek.

 

Wie ook bij ons thuis kwam was Jan Hoekert. Die ging altijd met de kruiwagen rond. Elke zaterdamorgen bracht hij een pak koffie. Hij had een dochter Leida.

 

In de RK-kerk zaten natuurlijk de mensen met het meeste geld vooraan. Op de drie eerste banken zaten de beheerders van de landhuizen: 't Zelle - Meenink - 't Kervel.

Achtereenvolgens: Jonkheer Bosch van Drakesteyn - AM Helmich en Baron von Twickel. Alle drie lieten ze zich in een rijtuig brengen. Vooral de Baron deed altijd heel voornaam, hij keek vanaf de eerste bank door zijn lorgnet de hele kerk rond wie er allemaal waren. De praatjes zijn hem later wel afgegaan, hij was failliet. Op zijn graf groeiden alleen brandnetels.

De eerste banken waren overigens ook nog de goedkoopste. Mijn man Frans moest later de pachten verzorgen en heeft dat soort onrechten veranderd.

Rentmeester op 't Kervel was mijn grootvader (vader van moeder) Engelbarts. Hij moest regelmatig naar Zutphen geld halen, maar hij kreeg geleidelijk geen geld meer.

Later werd Herwers de rentmeester. Mijn grootvader Besselink jaagde veel in die omgeving. Mijn moeder is daar nog geboren.

Oorlog

 

Frans was niet zo'n held. Hij heeft 2 nachten ondergedoken gezeten, verder niet. Hij ging wel graven voor de Todt aan de Hogenkamp. Nou ja graven, hij praatte meer met de Todt.

Frans ging vaak naar 't Kervel.

Velen begrepen niet waarom Peter Kerkhofs voorop moest lopen bij de optocht van NSB-ers na de bevrijding (dat kwam omdat veel mensen niet wisten wat hij gedaan had).

Die haat na de bevrijding vond ik heel erg. Sanderman en Klein haneveld lieten ze in de optocht voor het huis van Vennegoor stoppen.

Aan de ene kant was de blijdschap, waarin je samen met de kapelaan en pastoor door de straten huppelde en feestvierde, aan de andere kant was er die bittere haat.

 

Veel mensen werden opgeroepen voor ondervraging door de P.O.D. o.l.v. Beemsterboer (Grada moest hem niet). Ik ben veel binnen gebleven tijdens de oorlog en ben toen ook niet mee geweest. Dat wilde ik niet.

 

Zeker 3 huwelijken met Canadezen vonden plaats: Betsy Heesen (zus van Gerda Boerman-Heesen) met ene Howard, Hemmeke Antink (of Diny/Tiny) en het bruidsmeisje uit het boek Oorlogsherinneringen (Ide Tideman).

  

 

 

 


Home