OLD HENGEL
De historie van Hengelo Gld
19e EEUW
Sint Steffenrieën
Kerstmis is een feest in het teken van de vrede. Overal in de wereld worden zelfs tijdens een oorlog de wapens neergelegd. Dagen van bezinning en rust. Zo vreedzaam was het echter niet altijd.
Tweede Kerstdag is de feestdag van de Heilige Stephanus. Deze 26e december werd vroeger in het oosten van het land gevierd met een volksgebruik dat St. Steffenriën of St. Steffenjagen genoemd. Ook in Hengelo was dit geen onbekend fenomeen. De oorspronkelijke betekenis was dat op deze 26e december hooi en haver voor de paarden werd gezegend.
Op die dag werden rondritten om het dorp georganiseerd om de landerijen tegen kwalijke invloeden te beschermen en de vruchtbaarheid te verzekeren. Een goede reden dus om deelnemers en kijkers zich flink te buiten laten gaan aan drankmisbruik, die soms leidden tot flinke excessen. Van deze minder gunstige gevolgen van deze traditie zijn ook in Hengelo enkele gevallen bekend.
In het jaar 1861 moet het in elk geval totaal uit de hand zijn gelopen. Na afloop van het “Sinte-Steffenjagen” op de Tweede Kerstdag ontstonden er in de herberg Het Roosje vechtpartijen tussen vreemdelingen en dorpsjongens. De toenmalige burgemeester Lodewijk Mossel verklaarde dat hij rond 11 uur 's avonds straatrumoer voor genoemde herberg had vernomen. Dat moet een flink lawaai zijn geweest, in aanmerking genomen dat Mossel aan de Spalstraat woonde. Hij begaf zich in de richting van de herberg en kwam de twee veldwachters Hietberg en Jansen tegen, die hij onmiddellijk richting de kroeg stuurde om deze te sluiten.
Die avond kwamen twee personen bij Mossel aan de deur om een klacht in te dienen wegens “ondervonden last van dorpsche jongens”. De veldwachters waren daarbij aanwezig en Mossel gaf hen de opdracht de twee personen buiten de gemeentegrenzen te zetten en als ze dronken waren op te sluiten. Vermoedelijk heeft Mossel dus de lui zelf niet te woord willen staan, hij was ook niet zelf bij de herberg geweest.
Ongeveer een half jaar na deze gebeurtenis moest de burgemeester een en ander aan de Commissaris van de Koningin uitleggen. Bij de Procureur-Generaal was een klacht binnengekomen over de beide veldwachters. Waarschijnlijk hebben de twee vreemdelingen die bij Mossel aan de deur waren geweest, het er niet bij laten zitten en het hogerop gezocht. Zo ging dat toen, bij dit soort gevallen werd de Commissaris van de Koningin ingeschakeld.
Bij nader onderzoek bleek dat de volgende Hengelose kerels betrokken waren bij de vechtpartij:
- Hermanus Johannes Prins, geb. 7-6-1837, molenaarsknecht.
- Willem Kreunen, geb. 5-2-1835, bakkersknecht. In 1868 naar Hoogeveen vertrokken.
- Hendrik Willem Demming, geb. 26-12-1833, bakker. In 1864 naar Rotterdam vertrokken, nimmer teruggekeerd.
Met name Hendrik Demming werd genoemd als vechtjas die zich schuldig had gemaakt aan mishandelingen. Demming stond bekend als een labiele “potsenmaker”, verslaafd aan drank, maar geen ruziezoeker. Demming was een eenvoudig man, niet in staat om een eigen bedrijf te hebben en in de ogen van anderen een “ongelukkig figuur”.
Over de St. Stefanusfeesten verklaart Mossel dat het “boerenvolkje” tochtjes met paarden maken rond het dorp. Hierna kwamen zij altijd bijeen in Het Roosje, waar ze overmatig sterke drank gebruikten en andere bezoekers van buiten Hengelo begonnen te pesten en uit te dagen. Dat was dit keer uitgedraaid op een enorme vechtpartij, waarbij enkele bezoekers gewond raakten. Mossel liet zich zeer negatief uit over de deelnemers aan deze feesten. Uit de toon is op te maken dat hij zich ver verheven voelde boven het gewone “boerenvolk”.
Over de herberg Het Roosje deelde hij mede dat de eigenaar Peter Wolters een arme kerel was die met veel moeite aan de kost kon komen.
In zijn antwoord voerde de burgemeester de verontschuldiging aan dat het “boerenvolk” de gewoonte had op die Tweede Kerstdag een tocht ter paard om het dorp te maken, het zgn. St. Stefanusfeest te vieren en dat vele mensen de dag in dronkenschap eindigden.
De burgemeester vervolgde: “De jongelieden uit het dorp hebben dan de kwade gewoonte om vreemdelingen onder de schijn van aardigheden ongemerkt in het gezicht zwart te maken en zogenaamd voor den aap te houden”.
Het aanvoeren van deze verzachtende omstandigheden hadden geen resultaat, want Demming kreeg een gevangenisstraf van zes weken.
Over de veldwachters schreef hij nog dat hij niet kon beoordelen of deze tijdens het kloppartij wel hun plicht hadden gedaan. Hij veronderstelde dat ze zich wellicht teveel met vrolijke mensen in hadden gelaten of dat hun denkvermogen door het gebruik van sterke drank niet goed meer geweest zou zijn.
Beide veldwachters ondergingen ook een straf. Jansen werd voor zes weken geschorst en keerde daarna niet terug als gemeenteveldwachter. Rijksveldwachter Hietberg werd overgeplaatst, Gerrit Esmeyer uit Wehl nam zijn plaats in.
Van een gedegen onderzoek was meestal geen sprake, er heerste een enorme klassejustitie. Veroordelingen vonden plaats op vermoedens en halve verhalen, de betrokken personen zelf aanhoren was te min voor de hooggeplaatste heren.
De veldwachters kregen overal de schuld van, terwijl meneer Mossel zelf de opdracht had gegeven de mannen die bij hem aan de deur waren geweest buiten de gemeentegrenzen te gooien of anders op te sluiten. Geen wonder dat ze hadden geklaagd: eerst gemolesteerd, daarna opgepakt!
Het geval moet diepe sporen hebben achtergelaten want beide veldwachters overleden vrij jong, niet lang na deze gebeurtenis.
Jan Cornelis Jansen, geboren 1808 in Harderwijk, was een ongehuwde gemeenteveldwachter, daarvoor onderofficier (wachtmeester) bij de Cavalerie. Als gevolg van de kwestie in 1861 werd hij voor 6 weken geschorst: van 21 juli tot 2 september 1862. Hij stierf in 1864, nog geen 56 jaar oud.
Gerrit Hietberg, geboren 1810 in Diepenveen was gehuwd zonder kinderen.
Hietberg werd jachtopziener genoemd, zoals de meeste rijksveldwachters, een logisch gevolg van hun werkzaamheden. In wezen politiemensen, deden zij meer dienst als oppassen van het wild in het veld. De bewaking van het wild was voor de hoge heren van groot belang om hun geneugten bij de jacht te waarborgen. Dat was belangrijker dan andere mogelijke taken van de veldwachters. In de 19e eeuw was dit zeker het geval. Hietberg overleed in 1865.
Peter Wolters (1815-1864) was getrouwd met Hendrina Nas geb. 17-04-1831 te Didam. Hieruit werden twee kinderen geboren. Na het (vroege) overlijden van Wolters hertrouwde Hendrina met Hendrik Karel Gravelle des Vallees.
Herberg het Roosje (A99) was op de plek waar tegenwoordig de drogisterij van G. Lenselink aan de Kerkstraat staat. Oorspronkelijk bestond dit pand uit drie kleine huisjes. Na Wolters hadden ook Hofs en Eylenberg daar een café.
Peter Wolters verliet op 1 juni 1862 de woning A99 en vertrok naar A6 en A106, zonder beroep inmiddels. Daar stierf hij in 1864, totaal berooid. Vermoedelijk is de affaire hem niet in de kouwe kleren gaan zitten en uit het café gezet.
De hertrouwde weduwe vertrok naar A263, een achterkamertje van een huis ter plekke van het huidige postkantoor.
Lodewijk Henri Francois Mossel was burgemeester van 1840-1841 en 1852-1873. Het gemeentehuis was in die tijd gelegen aan de Spalstraat, tegen het logement van Kleijberg aan.
Lodewijk Mossel (1807-1873), geboren te Amsterdam, werd op 23 oktober 1839 benoemd als burgemeester. Zijn installatie vond plaats op 5 mei 1840. Hij was voordien Officier geweest bij de Schutterij en in de jaren 1830-1831 bij het beleg van Antwerpen onderscheiden, een oud-militair dus. Met deze Mossel kwam een figuur naar Hengelo, wiens geslachtsnaam vele jaren mee zou spreken in het leven van Hengelose burgemeesters.
Hij was en bleef militair in hart en nieren en droeg met veel trots zijn militaire onderscheiding. Als woning koos hij aanvankelijk het toen nog bestaande buitengoed 'Venhorsting' (in Delden onder de gemeente Vorden) op de grens van de gemeente aan de Vordenscheweg. Reeds aan het einde van 1841, dus na ruim één jaar, werd Lodewijk Mossel benoemd als burgemeester te Elst (O.B.), waarna Wilt Adriaan Wilbrenninck hem opvolgde.
Na de elfjarige ambtsvervulling van Wilbrenninck werd wederom een beroep gedaan op Lodewijk Mossel. Na goedkeuring van de koning deed hij voor de tweede keer zijn intrede in april 1852, iets wat geen enkele burgemeester in de geschiedenis van Hengelo overkwam. Hij ging nu wonen tegenover het Raadhuis in de Spalstraat in het huis, dat later werd bewoond door W.Burghardt, kleermaker. Deze tweede ambtsperiode duurde heel wat langer dan de eerste: ruim 21 jaar, nl. tot zijn overlijden in januari 1873.
Zijn inbreng op het dagelijkse leven van de Hengeloër was aanmerkelijk groter dan zijn voorgangers, niet alleen omdat zelf hij in Hengelo woonde, maar ook omdat in 1851 de gemeentewet ingesteld was, waardoor een burgemeester meer invloed had op het besturen van een gemeente.
Een belangrijk voorval in deze tweede periode was de grote brand op 17 mei 1864 toen 's avonds plm. 10 uur brand uitbrak bij bakker Demming, waarbij acht huizen en drie schuren een prooi der vlammen werden. Burgemeester Mossel heeft met levensgevaar vele archiefstukken gered, maar ook vele gingen verloren.
De vroegere burgemeesters zetelden en namen hun wijze besluiten in de rechter-voorkamer van het vroegere Hotel de Karper, destijds algemeen bekend onder café Kleyberg, genoemd naar de eigenaar van die tijd. De deur van die gelagkamer en die van de gemeentesecretarie lagen precies tegenover elkaar. Het was een ingeburgerde gewoonte om bij het aangeven van een kind, direct na een inschrijving in de officiële registers van de Burgerlijken Stand, aan de overzijde op de gezondheid van de jonggeborene iets te gebruiken. Na het sluiten van een huwelijk was dezelfde gewoonte van toepassing.
De ambtenaar leefde nog niet onder hoogspanning. De zaken werden in alle gemoedelijkheid afgedaan. Gezeten op een hoge kruk voor de lessenaar werd alles met een sierlijk handschrift in de vereiste aantallen in de copiëerboeken geschreven. Toen in het jaar 1885 de oude school werd omgebouwd tot gemeentehuis, was dit een rib uit het lijf van het café Kleyberg. De oudste zoon van Lodewijk Mossel, Pieter Christiaan Willem Mossel (1845-1909) nam de ambtsketting van zijn vader over na diens overlijden in 1873.
bron: Archief Morsink, gemeentearchief Hengelo Gld